Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.2.4
9.2.4 Hoge Raad in World Online: ‘ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden in beginsel de gewone bewijsregels’
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655841:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 8 februari 2013, NJ 2014/495, m.nt. J. Hijma onder NJ 2014/497; JOR 2013/108, m.nt. B.T.M. van der Wiel onder JOR 2013/106 (F. van Lanschot Bankiers N.V./Grove e.a.), r.o. 3.7.1-3.7.2.
Gemakshalve abstraheer ik hier even van het rendement dat in de hypothetische situatie zonder misleiding zou zijn behaald op een spaarrekening of staatsobligatie.
Met ‘over de relevante peilperiode per saldo dalen’ bedoel ik dat de koers aan het eind van de peilperiode (het moment waarop de misleiding bekend is geworden, dan wel – wanneer de belegger zijn aandeel tussentijds heeft verkocht – het moment van verkoop) lager is dan de koers aan het begin van de peilperiode (het moment van aankoop). Ik sluit dus niet uit dat de koers tussentijds ook nog is gestegen, maar zij is over de genoemde periode in dat geval alleen minder gestegen dan zij is gedaald.
Zie over deze overweging ook reeds De Jong 2010, p. 257, p. 274 en p. 300.
Ik wijs erop dat de Hoge Raad zelf niet spreekt in termen van een ‘vermoeden’. Volgens de Hoge Raad zal ‘tot uitgangspunt mogen dienen’ dat causaal verband aanwezig is tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing van de belegger, aldus HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m. nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.2. In § 9.3.3.2 zal ik uitleggen waarom de hier door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructie mijns inziens niets anders is dan een vermoeden.
Zie § 5.4.5.
De regel uit het World Online-arrest dat bij het bewijs van het bestaan (en de omvang) van de schade in beginsel de gewone regels van stelplicht en bewijslast van toepassing zijn, heeft mijns inziens voor beide genoemde feitelijke grondslagen een verschillende betekenis (althans, heeft voor beide feitelijke grondslagen in de praktijk een verschillende uitwerking). Ik zal dit voor beide grondslagen toelichten.
Voor de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, betekent de regel volgens mij niet zo veel bijzonders. Zij betekent mijns inziens niets meer dan dat het aan de eisende beleggers is om te stellen en – bij betwisting – te bewijzen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, dat zij daardoor het litigieuze aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht, en dat zij nog aandeelhouder waren toen de misleiding geheel of gedeeltelijk bekend werd en de koersinflatie geheel of gedeeltelijk uit de koers liep.
Voor de beleggers daarentegen die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij bij afwezigheid het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, houdt de regel naar mijn oordeel in, dat het aan hen is om aan tonen dat zij in de hypothetische situatie zonder misleiding op een alternatief beleggingsobject een beter rendement zouden hebben behaald dan zij thans op het litigieuze aandeel hebben behaald (althans, wanneer de door hen gestelde koersschade door de gedaagde gemotiveerd wordt betwist). Men zou ook kunnen zeggen dat het aan de eisende beleggers is om te bewijzen dat het door hen gestelde koersverlies in causaal verband (in de zin van het csqn-verband) staat met de misleiding.1 Komt in het processuele debat vast te staan dat zij bij afwezigheid van de misleiding hun geld in een oude sok zouden hebben gestopt (of wellicht realistischer: op een spaarrekening zouden hebben gezet of in een risicoloze staatsobligatie zouden hebben geïnvesteerd),2 dan behelst deze bewijsopdracht niets meer dan het bewijs dat de koers van het litigieuze aandeel in de feitelijke situatie over de relevante peilperiode per saldo is gedaald.3
Voor de laatstgenoemde beleggers is echter niet uit te sluiten dat de Hoge Raad met de overweging dat bij het bewijs van het bestaan (en de omvang) van de schade de gewone regels van stelplicht en bewijslast van toepassing zijn bedoelt, dat deze beleggers tevens moeten aantonen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed.4 De Hoge Raad is deze beleggers immers reeds in hun bewijslast tegemoet gekomen bij het bewijs van de stelling dat hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed, en dan vindt hij het wellicht onredelijk om de gedaagde tevens op te zadelen met de bewijslast ten aanzien van de koersinvloed van de misleidende informatie. Dit laatste zou namelijk betekenen dat de beleggers voor de vraag of hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed, noch voor de vraag of de misleidende informatie tot koersinflatie heeft geleid, initieel enige bewijslast dragen. Het (door de Hoge Raad wellicht beoogde) resultaat dat ook de beleggers die stellen dat zij bij afwezigheid het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht moeten aantonen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, kan worden bereikt door in de context van misleidende beursberichten alleen (door misleiding veroorzaakte) koersinflatie aan te merken als rechtens relevante schade, en door de bewuste overweging uit het World Online-arrest vervolgens aldus te lezen dat het aan de eisende beleggers is om aan te tonen dat zij als gevolg van de misleiding rechtens relevante schade hebben geleden.
In hoofdstuk 5 heb ik uiteengezet dat het vooralsnog onzeker is of het door de Hoge Raad in het World Online-arrest toegepaste vermoeden van causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing slechts van toepassing is bij prospectusaansprakelijkheid,5 of dat het ook van toepassing is in andere misleidingsgevallen dan prospectusaansprakelijkheid.6 Wanneer het World Online-arrest op de eerstgenoemde wijze moet worden uitgelegd, geldt ook voor mijn opmerking van zojuist over de (mogelijke interpretatie van de) overweging betreffende de toepasselijkheid van de gewone regels van stelplicht en bewijslast bij het bewijs van de schade, dat deze slechts betrekking heeft op de situatie van prospectusaansprakelijkheid. Dat ook de beleggers die stellen dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht eventueel zouden moeten aantonen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, hangt immers nauw samen met het feit dat zij bij het bewijs van het causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing reeds in hun bewijslast tegemoet zijn gekomen.