Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.2.2
9.2.2 Eerste feitelijke grondslag: zonder de misleiding zou het litigieuze aandeel ook zijn gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655799:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.10.4 en r.o. 4.11.1-4.11.2. Zie over dit aspect van het World Online-arrest reeds § 5.4.4.4.
Ook de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij op de misleidende informatie hebben vertrouwd, en zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, moeten uiteraard aantonen dat hun beleggingsbeslissing door de misleiding is beïnvloed. Zie over het bewijsrechtelijk kader voor deze beleggers § 9.2.3 hierna.
Zie § 5.4.5.
Zie § 5.4.6 en § 6.2.4.2 sub c.
Vgl. in dit verband de uitspraken Rb. Amsterdam 30 juli 2008, HA ZA 05-1645 (niet gepubliceerd), r.o. 5.37 en Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022, r.o. 2.54 (beide uitspraken betreffen de zaak Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a.).
Zie § 5.5.2.2 sub b.
Voor zover deze beleggers meer dan één aandeel hebben gekocht, moet – om het totale schadebedrag te krijgen – de koersinflatie op het moment van aankoop uiteraard nog worden vermenigvuldigd met het aantal gekochte aandelen. Zie verder § 9.4.4.3.
Zie § 5.5.2.2 sub c.
Voor zover deze beleggers meer dan één aandeel hebben gekocht en vervolgens weer (tussentijds) hebben verkocht, moet – om het totale schadebedrag te krijgen – het in de hoofdtekst genoemde bedrag uiteraard nog worden vermenigvuldigd met het desbetreffende aantal aandelen. Zie verder § 9.4.4.3.
Hartkamp en Sieburgh spreken in dit verband van een ‘argumenteerlast’ (curs. ACWP) van de aansprakelijke. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2019 (6-IV), nr. 144; Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 82. Zie over de bewijslastverdeling in het kader van art. 6:98 BW ook Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 45; Asser 2004, nr. 182. Zie voor een ander geluid op dit punt Boonekamp, Stelplicht en Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW. A-G F. F. Langemeijer lijkt in punt 2.22-2.23 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2019:61, bij het 81 RO-arrest HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:326 (ABN AMRO Bank N.V./X) Boonekamp op dit punt te volgen.
De Hoge Raad lijkt in het World Online-arrest enigszins te miskennen dat het bij art. 6:98 BW niet in de eerste plaats om een bewijslast, maar om een argumenteerlast gaat. Zo overweegt hij dat ten aanzien van het causaal verband ex art. 6:98 BW ‘in beginsel de gewone bewijsregels (…) gelden’(curs. ACWP), aldus HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.3.
Zie over dit verweer uitgebreid § 5.5.2.3 sub a en sub b. Ik wijs erop dat de gedaagde dit toerekeningsverweer in stelling kan brengen zowel tegen de beleggers die hun aandelen vóór de officiële bekendwording van de misleiding weer hebben verkocht, als tegen de beleggers die hun aandelen tot na de bekendwording van de misleiding hebben aangehouden.
Leggen de beleggers aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, dan is het aan hen om te stellen en – bij betwisting – te bewijzen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, dat zij daardoor het litigieuze aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht, en dat zij nog aandeelhouder waren toen de misleiding geheel of gedeeltelijk bekend werd en de koersinflatie geheel of gedeeltelijk uit de koers liep. In de praktijk zal deze bewijslast er meestal op neerkomen dat de beleggers moeten aantonen hoe en wanneer de misleiding naar buiten is gekomen en de koersinflatie uit de koers is gelopen (waarmee dan meteen is gegeven dát er sprake was van koersinflatie). Uit het World Online-arrest volgt echter dat bij prospectusaansprakelijkheid óók de beleggers die stellen dat zij zonder de misleiding het litigieuze aandeel tegen een gunstigere prijs zouden hebben gekocht, tevens moeten aantonen dat hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed.1,2 Of dit ook geldt in de andere misleidingsgevallen dan prospectusaansprakelijkheid is vooralsnog onzeker.3 In Deel IV heb ik verdedigd het in ieder geval niet wenselijk te vinden om voor deze beleggers (in het kader van het causaal verband) de eis te stellen dat hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed.4
Kan worden vastgesteld dat de eisende beleggers het litigieuze aandeel inderdaad tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht en zij nog aandeelhouder waren toen de koersinflatie weer geheel of gedeeltelijk uit de koers liep, dan staat daarmee vast dat zij als gevolg van de misleiding schade hebben geleden. Vervolgens is de vraag wat de omvang van deze schade is. Voor het beantwoorden van deze vraag zal moeten worden vastgesteld hoe het koersverloop van het litigieuze aandeel er in de hypothetische situatie zonder misleiding uit zou hebben gezien, en het is aan de eisende beleggers om dit hypothetische koersverloop aannemelijk te maken.5 Lukt hun dat, dan kan de (omvang van de) schade vervolgens gemakkelijk worden vastgesteld. Voor de beleggers die hun aandeel tot na het (volledig) bekend worden van de misleiding hebben aangehouden, bedraagt de schade het bedrag van de door hen betaalde koersinflatie op het moment van aankoop.6,7 Voor de beleggers die hun aandeel tussentijds hebben verkocht, is de schade gelijk aan het verschil tussen de koersinflatie op het moment van aankoop en de koersinflatie op het moment van verkoop (de laatstgenoemde koersinflatie hebben deze beleggers met hun tussentijdse verkoop weer terugverdiend).8,9
Is de (omvang van de) schade eenmaal vastgesteld, dan wil dat nog niet zeggen dat het volledige schadebedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Het is vervolgens aan de gedaagde om te beargumenteren10 (en de bij wijze van verweer aangevoerde feiten te stellen en – bij betwisting – te bewijzen) dat niet het volledige schadebedrag hem op de voet van art. 6:98 BW kan worden toegerekend.11 Hij zou in dit verband bijvoorbeeld kunnen aanvoeren dat de koersinflatie als gevolg van een afnemende marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding is afgenomen, en dat voor zover het door de belegger gestelde koersverlies op deze afnemende marktwaarde is terug te voeren, dit hem niet kan worden toegerekend.12