Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.2
1.2 Belang van het onderzoek
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299212:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een mogelijke verklaring daarvoor is dat art. 6:181, zoals nog zal blijken uit hoofdstuk 4, – ten onrechte – veelal als uitzonderingsbepaling wordt gezien. Pas sinds HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m. nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta) lijkt art. 6:181 door de rechtspraktijk te zijn ‘ontdekt’.
Zie nader par. 7.6.5.1.
Zie nader par. 3.3.3.1 en 7.3.1.
Zie nader par. 7.6.5.1.
Voor de volledigheid: het tot nog toe viertal door de Hoge Raad gewezen arresten waarin art. 6:181 aan bod komt, wordt gecompleteerd door HR 29 januari 2016, NJ 2016/173, m.nt. Hartlief (Paard Imagine), over de vraag of de rechtsregel uit HR 8 oktober 2010, NJ 2011/465, m.nt. Hartlief (Hangmat) met betrekking tot medebezitters van opstallen (art. 6:174) kan worden doorgetrokken naar medebezitters en bedrijfsmatige medegebruikers van dieren (art. 6:179 jo. 181).
Zie nader par. 2.6.
Zie nader par. 5.4.3.3.
Art. 6:181, ingevoerd in 1992 en aangevuld in 1995, betreft een civiele buitencontractuele aansprakelijkheid die het oude recht onbekend was en waarnaar nog geen uitvoerige wetenschappelijke studie is verricht. Sterker nog, sinds haar introductie heeft art. 6:181 in de literatuur aanvankelijk vooral een bestaan in de schaduw geleid. Hetzelfde beeld biedt de rechtspraak, waarin de grenzen van art. 6:181 aanvankelijk slechts aarzelend werden verkend.1 Zo verscheen het eerste arrest van de Hoge Raad over art. 6:181 pas ruim 18 jaren na de invoering van deze aansprakelijkheid. Het betreft HR 26 november 2010, NJ 2010/636 (DB/ Edco), over de voor opstallen geldende tenzij-clausule in het slot van lid 1 van art. 6:181. De casus was bepaald niet ‘onalledaags’: wegens de instorting van het dak van een opslaghal ontstond schade aan de daar opgeslagen goederen.2 Niet veel later volgde nog HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta), dit maal over de vuistregel van art. 6:181. Wederom betrof het een ‘uit het leven gegrepen’ casus: een 10-jarig meisje kreeg op een manege op onfortuinlijke wijze een trap in het gezicht van een paard.3 Hoewel zowel het arrest DB/Edco als het Loretta-arrest een zekere sturing heeft gegeven aan de toepassing van art. 6:181, zijn daarin verschillende voor de praktijk relevante vraagstukken met betrekking tot deze aansprakelijkheid niet aangeroerd. Voorts worden de inhoud en uitkomst van deze twee over art. 6:181 gewezen arresten niet door eenieder even vanzelfsprekend geacht, terwijl de beide arresten zelf ook weer (nieuwe) vragen hebben opgeroepen over de toepassing van art. 6:181. Treffend is dat de Hoge Raad zich inmiddels genoodzaakt zag het arrest DB/Edco te preciseren, en wel in HR 24 november 2017, RvdW 2017/1278 (Schavemaker/Planet c.s.)4 naar aanleiding van een brand in een bedrijfsverzamelgebouw waarvan werd gesteld dat dit – vanwege daarin verrichte brandgevaarlijke activiteiten – ‘gebrekkig’ was wegens het ontbreken van voldoende brandwerende voorzieningen.5
Dat de toepassing van art. 6:181 bepaald nog niet is uitgekristalliseerd, valt mede te verklaren door het feit dat dit artikel als compleet ‘nieuwe’ bepaling – het OBW was een dergelijke regeling als gezegd onbekend – pas laat in het wetgevingsproces van het huidige BW werd geïntroduceerd, en vergezeld ging van een maar summiere toelichting. Ook nadien werd bij de parlementaire totstandkoming van afd. 6.3.2 BW nauwelijks aandacht aan (het toepassingsbereik van) de met art. 6:181 in het leven geroepen ‘nieuwe’ aansprakelijkheid besteed.6 Hier komt bij dat wat gedurende de parlementaire behandeling wél over art. 6:181 naar voren is gebracht, niet altijd uitblinkt in helderheid en soms maar moeilijk te doorgronden is. Verder geldt dat art. 6:181 een zuiver Nederlands product is: geen van de ons omringende rechtsstelsels kent een bepaling vergelijkbaar met art. 6:181.7 Ook rechtsvergelijkend is daarom niet zomaar (meer) grip op het kennelijk ‘unieke’ art. 6:181 te verkrijgen.
Al met al is de toepassing van art. 6:181 vandaag de dag nog met veel onzekerheden omgeven. Dat is onwenselijk, aangezien in het maatschappelijk verkeer op grote schaal en op allerhande wijze gebruik wordt gemaakt van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde roerende zaken, opstallen en dieren. De hiervoor ter illustratie genoemde schadegevallen die zich alleen al kunnen voordoen rondom een carnavalsvereniging spreken wat dit betreft boekdelen. Voor de in art. 6:175 bedoelde gevaarlijke stoffen is een en ander niet anders: in onze maatschappij is het onvermijdelijk dat hiervan productie, verwerking, opslag en vervoer plaatsvindt. Heeft een roerende zaak, opstal, dier of gevaarlijke stof eenmaal schade aangericht, dan is het wenselijk dat vlot duidelijk is wie daarvoor op kwalitatieve grondslag is aan te spreken. Tevens is het wenselijk dat potentieel aansprakelijken op voorhand zo goed mogelijk kunnen inschatten wie een aansprakelijkheidsrisico loopt, om dit te kunnen (door)berekenen en desgewenst te verzekeren. Ter beantwoording van deze belangrijke ‘wie-vragen’ vervult art. 6:181 een essentiële rol. Duidelijkheid over de toepassing van art. 6:181 is daarom van wezenlijk belang voor het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht. Dat antwoorden op de diverse ‘art. 6:181- vraagstukken’ bepaald niet voor het oprapen liggen, onderschrijft het belang van dit onderzoek temeer.