Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.2.5.2
5.2.5.2 OK-functionarissen, tevens advocaat
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652254:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
RvD Amsterdam (vz.) 15 december 2017 (r.o. 4.2-4.3), JOR 2018/39, m.nt. F. Eikelboom (In den Eng); RvD Arnhem-Leeuwarden 27 september 2021 (r.o. 5.3-5.4), ECLI:NL:TADRARL:2021:226 (Cavari Clinics).
OK 18 maart 2020 (r.o. 3.33), JOR 2020/147, m.nt. C.J. Scholten (Vermeulen); OK 29 mei 2020 (r.o. 2.7), JOR 2020/204, m.nt. P.H.M. Broere (Vermeulen). Tevens werd een tuchtklacht bij de Klachtencommissie NBA ingediend tegen een door de OK-bestuurder ingeschakelde overnameadviseur en procesbegeleider.
RvD Amsterdam (vz.) 15 december 2017 (r.o. 4.2-4.3), JOR 2018/39, m.nt. F. Eikelboom (In den Eng).
RvD Arnhem-Leeuwarden 27 september 2021 (r.o. 3.1; 4.3; 5.3-5.5), ECLI:NL:TADRARL:2021:226 (Cavari Clinics).
Een OK-functionaris die tevens advocaat is, kan worden geconfronteerd met een tuchtklacht, zoals de OK-bestuurder overkwam in In den Eng en Cavari Clinics.1 In Vermeulen werd een tuchtklacht gericht tegen de OK-bestuurder en de gewezen OK-bestuurder.2 Andere tuchtrechtelijke procedures gericht tegen een OK-functionaris die tevens advocaat is, zijn mij niet bekend.
Nadat de Ondernemingskamer de eerder door haar getroffen voorzieningen bij In den Eng beëindigde, werd tegen de gewezen OK-bestuurder een klacht ingediend door de rechtspersoon en een van de 50%-aandeelhouders, tevens bestuurder. De OK-bestuurder zou volgens hen tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in art. 46 Advocatenwet. De voorzitter van de Raad van Discipline Amsterdam oordeelde dat het in art. 46 e.v. Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig, en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van OK-bestuurder, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Hiervoor is meer vereist dan dat de OK-bestuurder in strijd handelt met hetgeen een goed bestuurder betaamt. Over de juistheid van het handelen van de OK-bestuurder kan de tuchtrechter niet oordelen; dat is volgens de voorzitter voorbehouden aan de Ondernemingskamer. De tuchtklacht in In den Eng werd overigens kennelijk ongegrond verklaard.3
In Cavari Clinics werd een klacht (deels) wel gegrond verklaard. De OK-bestuurder, tevens advocaat had gelden van de rechtspersoon overgeboekt naar de bankrekening van de stichting derdengelden met de omschrijving ‘Tijdelijk veiligstellen gelden’. De OK-bestuurder erkende dat hij dat niet had mogen doen, maar voerde aan dat zijn verhouding met klaagster op dat moment dusdanig was geëscaleerd dat hij zich, in afwachting van de blokkade van haar bankpas, genoodzaakt voelde om de betreffende gelden snel maar tijdelijk veilig te stellen voor haar. Daarbij speelde ook mee dat klaagster eerder zonder toestemming van de andere bestuurders gelden van de rechtspersoon had overgeboekt naar een rekening van haar echtgenoot. De Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden stelde – in iets andere bewoordingen dan de voorzitter van de Raad van Discipline Amsterdam in In den Eng – eveneens voorop dat het advocatentuchtrecht ook geldt voor de OK-bestuurder. Volgens de raad heeft de OK-bestuurder het vertrouwen in de advocatuur ondermijnd, en had hij ervoor moeten kiezen om de gelden die hij veilig wilde stellen, al dan niet in overleg met de andere bestuurders van de rechtspersoon, naar een andere bankrekening moeten overmaken. Omdat niet was gesteld of gebleken dat de OK-bestuurder tevens bestuurder was van de stichting derdengelden van zijn kantoor, kan hem niet ook worden verweten dat hij de derdengeldenrekening heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze volgens art. 6.22 lid 3 Verordening op de advocatuur is bedoeld.4