Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.7:12.7 Samenvatting en conclusies
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.7
12.7 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491707:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de volgende deelvraag centraal:
Dienen de regels in de Wet VPB 1969 met betrekking tot de fiscaal gefaciliteerde splitsing op het niveau van de splitsingspartners inhoudelijk te worden verbeterd en zo ja, op welke wijze?
De geldende regels met betrekking tot de fiscaal gefaciliteerde splitsing op het niveau van de splitsingspartners zijn in hoofdstuk 11 uitgebreid geanalyseerd. Ik vat deze regels hier kort samen. Art. 14a Wet VPB 1969 bevat twee fiscaal gefaciliteerde splitsingsvarianten. In de eerste plaats de wettelijke doorschuifregeling waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt als is voldaan aan alle in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 opgenomen vereisten. Als deze regeling wordt toegepast, blijft fiscale afrekening zonder verzoek en zonder nadere regels geheel achterwege. De verkrijgers treden dan fiscaal in de plaats van de splitser. In de tweede plaats de doorschuifregeling op verzoek en met nadere standaardvoorwaarden (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Deze regeling komt in beeld als niet wordt voldaan aan de vereisten voor de wettelijke doorschuifregeling. Onder omstandigheden kunnen de standaardvoorwaarden acute heffing van vennootschapsbelasting uitlokken. Ook als de doorschuifregeling op verzoek wordt toegepast, treden de verkrijgers fiscaal in de plaats van de splitser, maar dit geldt alleen voor zover daaraan geen voorwaarden zijn gesteld.
In dit hoofdstuk zijn deze splitsingsregels getoetst aan mijn toetsingskader. De belangrijkste conclusie is dat zij inhoudelijk op een groot aantal punten dienen te worden verbeterd. De vijf meest in het oog springende conclusies zijn: (1) dat het onwenselijk is dat de splitsende rechtspersoon in het huidige systeem slechts de keuze heeft tussen volledig afrekenen of volledig doorschuiven, (2) dat het onderscheid tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek beter kan vervallen, (3) dat er bij het waarborgen van vennootschapsbelastingclaims ten onrechte niet wordt aangesloten bij de vennootschapsbelastingclaims die bij een splitsing met fiscale afrekening tot uitdrukking zouden zijn gekomen of in stand zouden zijn gebleven, (4) dat de manier waarop wordt omgegaan met fiscale aanspraken van de splitsingspartners ervoor kan zorgen dat wenselijke splitsingen worden belemmerd én (5) dat de regels met betrekking tot het verrekenen van fiscale voorsplitsingsaanspraken over het (af)splitsingstijdstip heen te beperkend zijn vormgegeven. Voor (onder meer) deze punten zijn concrete aanpassingsvoorstellen gedaan.
Hierna volgt een meer gedetailleerd overzicht van mijn conclusies en aanbevelingen.
De wenselijkheid van een gedeeltelijke doorschuifregeling
In het huidige systeem kan de splitser er niet voor kiezen de splitsingswinst gedeeltelijk in aanmerking te nemen en gedeeltelijk door te schuiven (partiële fiscaal gefaciliteerde splitsing). Het is dus volledig afrekenen of volledig doorschuiven (alles-of-niets-benadering). In de Duitse regeling heeft de splitser de keuze om de belastingclaim niet, gedeeltelijk of volledig door te schuiven.
Het is wenselijk recht dat de fiscale wetgever een optionele partiële doorschuifregeling creëert voor de splitsingspartners. Dat is in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets en conflicteert niet met het hoger recht in de vorm van de Fusierichtlijn. De vraag of de fiscaaltechnische toets slaagt, is afhankelijk van de inhoudelijke vormgeving van de partiële doorschuifmogelijkheid.
In mijn voorstel komt de fiscaaltechnische vormgeving erop neer dat wordt aangesloten bij de regeling van art. 20a, lid 12, Wet VPB 1969. De splitsende rechtspersoon kan naar keuze een herinvesteringsreserve (deels) laten vrijvallen en/of per vermogensbestanddeel beslissen of, en zo ja in hoeverre, de fiscale meerwaarde in aanmerking wordt genomen. De splitser dient zijn keuzes ten tijde van de splitsing te verwerken in zijn fiscale balans. Vervolgens dienen de verkrijgende rechtspersonen de verkregen en opgewaardeerde vermogensbestanddelen voor dezelfde waarde op te nemen op hun fiscale balans.
De wetssystematiek
Het onderscheid tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek dient te worden opgeheven. Als gevolg daarvan kunnen de wettelijke eisen in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 vervallen. Voor zover dat noodzakelijk is, dienen de standaardvoorwaarden en de overige beleidsregels te worden opgenomen in art. 14a Wet VPB 1969 (fundamentele zaken) of in een algemene maatregel van bestuur (minder fundamentele zaken).
Bij voorkeur wordt een Besluit reorganisaties ontworpen voor de diverse reorganisatieregelingen in de Wet VPB 1969 waaronder de splitsing. Als dit gebeurt, kan het bepaalde in art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969 worden geschrapt. Ook het delegatiekader in art. 14a, lid 5, Wet VPB 1969 kan vervallen.
Terugwerkende kracht van het fiscale (af)splitsingstijdstip
In het geval van een fiscaal gefaciliteerde splitsing is onder voorwaarden terugwerkende kracht van het (af)splitsingstijdstip mogelijk. Deze goedkeurende regeling voldoet niet geheel aan de fiscaal-theoretische toets omdat verplicht moet worden aangesloten bij de aanvang van het boekjaar van de splitsende rechtspersoon.
In art. 14a Wet VPB 1969 dienen de begrippen splitsingstijdstip en afsplitsingstijdstip te worden omschreven. De nadere regels voor terugwerkende kracht van het (af)splitsingstijdstip kunnen worden ondergebracht in het Besluit reorganisaties. Daarin moet worden goedgekeurd dat het (af)splitsingstijdstip kan worden gesteld op het tijdstip waarop de financiële gegevens van de splitser in de (commerciële) jaarrekening van de verkrijger(s) worden verantwoord. In de toelichting dient te worden verduidelijkt wanneer sprake is van een incidenteel fiscaal voordeel. Het is volgens mij wenselijk recht dat terugwerkende kracht alleen kan worden geweigerd ingeval het incidenteel fiscaal voordeel wordt behaald én beoogd.
Het handhaven van vennootschapsbelastingclaims
Blijft acute heffing van vennootschapsbelasting achterwege bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing, dan dienen de vennootschapsbelastingclaims gehandhaafd te blijven. Op grond van de fiscaal-theoretische toets dienen bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing alleen vennootschapsbelastingclaims te worden doorgeschoven naar de verkrijger(s) voor zover deze bij een ruisende splitsing tot uitdrukking zouden zijn gekomen of in stand zouden zijn gebleven.
In het huidige systeem worden de meeste vennootschapsbelastingclaims gehandhaafd door de werking van de fiscale indeplaatstreding. De gevolgen van dit fiscale doorschuifprocedé zijn met betrekking tot stille reserves, niet-geactiveerde goodwill en fiscale reserves in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets. Wat betreft de meer bijzondere vennootschapsbelastingclaims is dat echter niet het geval. De vergelijking met een ruisende splitsing wordt dan namelijk losgelaten. Er wordt gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgehad. Hierdoor is het mogelijk dat bij een fiscaal begeleide splitsing meer belastingclaims worden doorgeschoven naar de verkrijger(s) dan er bij een ruisende splitsing volgens wenselijk recht tot uitdrukking zouden zijn gekomen of in stand zouden zijn gebleven. Deze overkill is in strijd met de fiscaal-theoretische toets. Daarom dient de fiscale indeplaatstreding te worden beperkt zodat wordt aangesloten bij de fiscale implicaties van een splitsing met fiscale afrekening volgens wenselijk recht.
De fiscale indeplaatstreding omvat uitsluitend objectgebonden aangelegenheden, dat wil zeggen aangelegenheden die in voldoende mate verbonden zijn met het onderliggende vermogen. De subjectgebonden aangelegenheden vallen niet onder de reikwijdte van de fiscale indeplaatstreding. Het woord aangelegenheden is een verzamelterm voor aanspraken, kwalificaties, omstandigheden, latente verplichtingen, sancties, termijnen en overige elementen. Het onderscheid tussen object- en subjectgebonden straalt ook uit naar de bijzondere vennootschapsbelastingclaims. Het is niet duidelijk (genoeg) wat nu precies het onderscheid bepaalt tussen object- en subjectgebonden. Dit conflicteert met de fiscaaltechnische toets omdat fiscale gevolgen onvoldoende bepaalbaar zijn. En dat zet druk op de rechtszekerheid.
Om met betrekking tot vennootschapsbelastingclaims tot een wetssystematiek te komen die meer recht doet aan de fiscaal-theoretische en fiscaaltechnische toets, zou iedere aangelegenheid bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing dwingend dienen te worden vastgeklikt aan het vermogen van de splitser. De verkrijger treedt vervolgens fiscaal in de plaats van de splitser voor zover een aangelegenheid gekoppeld is aan, samenhangt met of (desnoods pro-rata-parte) toerekenbaar is aan het verkregen vermogen. Hierdoor verdwijnt het onderscheid tussen subject- en objectgebonden. Iedere aangelegenheid is dan namelijk objectgebonden in de betekenis van gekoppeld aan, samenhangend met of toerekenbaar aan het betreffende vermogen. Deze aanbeveling zou moeten samengaan met de hiervóór bepleite beperking van de fiscale indeplaatstreding. In het eindplaatje omvat de fiscale indeplaatstreding in potentie alle aangelegenheden. Of, en zo ja in hoeverre, een verkrijger in een concreet geval daadwerkelijk een aangelegenheid die verband houdt met een vennootschapsbelastingclaim overneemt, moet worden bepaald aan de hand van de fiscale gevolgen van een splitsing met fiscale afrekening volgens wenselijk recht.
De fiscale indeplaatstreding is wat betreft het handhaven van vennootschapsbelastingclaims niet in strijd met de Fusierichtlijn. De relevante Fusierichtlijnbepalingen maken namelijk niet duidelijk of belastingclaims mogen worden gehandhaafd (a) alsof de splitsing ruisend zou hebben plaatsgevonden dan wel (b) alsof de splitsing niet zou zijn doorgevoerd. De fiscale indeplaatstreding is bovendien in overeenstemming met het primaire EU-recht. Er wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen puur nationale situaties en grensoverschrijdende EU/EER-gevallen.
Het verdient geen aanbeveling de Duitse equivalent van de fiscale indeplaatstreding in art. 14a Wet VPB 1969 over te nemen.
Als het onderscheid tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek wordt opgeheven (zie hiervóór), vervallen ook de standaardvoorwaarden die betrekking hebben op – of die verband houden met – het handhaven van vennootschapsbelastingclaims.
De volgende standaardvoorwaarden conflicteren met het toetsingskader en dienen daarom niet (ook niet in aangepaste vorm) te worden overgenomen in art. 14a Wet VPB 1969 en/of het Besluit reorganisaties:
De splitsende rechtspersoon houdt een deelneming ex art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011).
De afsplitsende rechtspersoon is een stichting of een vereniging.
Als direct gevolg van een splitsing daalt een vordering in waarde.
Met het oog op het afwikkelen of behouden van vennootschapsbelastingclaims zijn diverse standaardvoorwaarden uitgevaardigd die, geheel of gedeeltelijk en soms in gewijzigde vorm, overgeheveld zouden moeten worden naar art. 14a Wet VPB 1969 en/of het Besluit reorganisaties. Het gaat concreet over de volgende situaties:
De zuiver splitsende rechtspersoon beschikt over een opwaarderingsreserve en het belang in de ex-schuldenaar wordt gehouden door een met hem verbonden lichaam.
Als gevolg van de splitsing gaat een onderlinge vordering-schuldverhouding tussen de splitsingspartners teniet.
De splitsende rechtspersoon houdt een belang in een verkrijgende rechtspersoon en dit belang gaat bij de splitsing over naar de betreffende verkrijger.
Als gevolg van de splitsing verlaten vermogensbestanddelen het bereik van de Wet VPB 1969.
In al deze gevallen kan vennootschapsbelasting verschuldigd zijn omdat het niet mogelijk is de belastingclaim na de splitsing te handhaven. Deze acute belastingheffing kan de (wenselijke) splitsing belemmeren. Gelet op de fiscaal-theoretische toets zouden de splitsingspartners in de onder a t/m c genoemde situaties in de gelegenheid gesteld moeten worden de verschuldigde vennootschapsbelasting gespreid te betalen. Voor de onder d genoemde situatie verdient het aanbeveling de huidige betalingsregeling uit te breiden, zodat de vennootschapsbelasting kan worden voldaan naar gelang die belastingheffing geheven zou worden ingeval de belastingclaims zouden zijn doorgeschoven naar (een) verkrijger(s).
Met het oog op het waarborgen van vennootschapsbelastingclaims dient verder te worden bepaald dat in het Besluit reorganisaties nadere regels kunnen worden gesteld voor de volgende situaties:
De splitsingspartners zijn onderworpen aan verschillende fiscale regimes.
De splitsingspartners zijn onderworpen aan hetzelfde fiscale regime maar nadere voorschriften zijn noodzakelijk met het oog op claimbehoud.
Fiscale aanspraken en overige fiscale posities van de splitsingspartners
De Wet VPB 1969 kan een (wenselijke) splitsing niet alleen belemmeren in de vorm van acute heffing, maar ook als fiscale aanspraken en overige fiscale posities van de splitsingspartners verloren gaan. Tegelijkertijd kunnen nadere regels nodig zijn om te voorkomen dat de splitsingspartners hun fiscale positie verbeteren met behulp van een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Die nadere regels moeten ervoor zorgen dat aan de fiscaal begeleide splitsing op dit punt geen materiële terugwerkende kracht wordt verleend.
Als direct gevolg van een fiscaal gefaciliteerde splitsing kunnen bepaalde fiscale aanspraken van de verkrijger(s) verloren gaan omdat het uiteindelijke belang in de verkrijger(s) wijzigt. Het gaat concreet over (i) verliesaanspraken, (ii) voortwentelingsaanspraken in verband met de earningsstrippingmaatregel en (iii) voortwentelingsaanspraken in verband met buitenlandse bronbelasting. Het verdient aanbeveling aan art. 20a, lid 2, Wet VPB 1969 een bepaling toe te voegen op grond waarvan een wijziging van het uiteindelijke belang in de verkrijger(s) – of in een groepsmaatschappij die bij de splitsing aandelen toekent – buiten aanmerking blijft voor zover de wijziging voortvloeit uit een fiscaal gefaciliteerde splitsing.
Op grond van de fiscale indeplaatstreding kunnen objectgebonden fiscale aanspraken van de splitser overgaan naar de verkrijger(s). Dat is het geval als het vermogen dat zo’n aanspraak in het verleden heeft veroorzaakt, ook overgaat naar die verkrijger. De subjectgebonden aanspraken gaan niet op grond van de fiscale indeplaatstreding over naar de verkrijger(s), maar in de beleidsmatige sfeer zijn hierop uitzonderingen gemaakt. Voor de kwalificatie als objectgebonden is vereist dat de koppeling met specifiek vermogen voldoende sterk is. Bij subjectgebonden fiscale aanspraken is die verbinding kennelijk niet sterk genoeg.
De wijze waarop volgens het huidige recht wordt omgegaan met objectgebonden fiscale aanspraken is in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets en de fiscaaltechnische toets. Er wordt namelijk naadloos aangesloten bij de fiscale facilitering waarbij ook een subjectbenadering wordt ingeruild voor een objectbenadering. Dat geeft een extra positieve dimensie aan de te bereiken dynamische neutraliteit en zorgt ervoor dat fiscale aanspraken niet als gevolg van de splitsing verloren gaan (welvaartsbeginsel en liquiditeitsbeginsel). Deze positieve evaluatie geldt niet voor de lotgevallen van subjectgebonden fiscale aanspraken volgens geldend recht. Daarvoor geldt namelijk geen objectbenadering waardoor die aanspraken onder omstandigheden verloren kunnen gaan.
Het is naar mijn mening wenselijk recht dat alle fiscale aanspraken van de splitser vatbaar zijn voor een fiscale indeplaatstreding door de verkrijger(s). Dit betekent dat fiscale aanspraken in het geval van een fiscaal begeleide splitsing verplicht gekoppeld worden aan het vermogen dat deze aanspraken vóór de splitsing heeft veroorzaakt. Gaat het vermogen in het kader van een splitsing over naar een verkrijger, dan geldt dat op grond van de aangepaste fiscale indeplaatstreding ook voor de bijbehorende fiscale aanspraak. Blijft het vermogen in het geval van een afsplitsing daarentegen (deels) achter bij de afsplitser, dan geldt dat (in zoverre) ook voor de fiscale aanspraak.
De koppeling van de fiscale aanspraken aan het onderliggende vermogen zou kunnen plaatsvinden met behulp van drie allocatieregels: (i) dwingende allocatie, (ii) causale allocatie en (iii) vrije allocatie of pro-rata-parte allocatie. Deze allocatieregels dienen te worden uitgewerkt in het Besluit reorganisaties. Hierdoor verdwijnt het onderscheid tussen object- en subjectgebonden fiscale aanspraken. Ook de beleidsmatige uitzonderingen verliezen hun belang.
Volgens de Duitse regels kunnen bij een fiscaal begeleide splitsing onder meer verliesaanspraken (geheel of gedeeltelijk) verloren gaan. Het Duitse systeem heeft wat betreft de lotgevallen van fiscale aanspraken geen aanbevelingswaardige punten voor de Nederlandse wetgever.
Op grond van beleidsmatige goedkeuringen kunnen volgens huidig recht in bepaalde situaties en onder voorwaarden verliesaanspraken ex art. 20 Wet VPB 1969 van de splitser overgaan naar de verkrijger(s). Deze goedkeuringen gelden ook als de verkrijger in de EU/EER is gevestigd en (uiterlijk als gevolg van de splitsing) in Nederland een onderneming drijft. Deze benadering is in overeenstemming met art. 6 Fusierichtlijn. Dat blijft het geval als de verliesaanspraken volgens het wenselijk recht op grond van de fiscale indeplaatstreding overgaan (zie hiervóór).
Op grond van het primaire EU-recht is een lidstaat onder omstandigheden verplicht om definitieve buitenlandse verliezen te importeren. Dat kan ook bij splitsingen aan de orde zijn. Daarom dient in art. 14a Wet VPB 1969 een regeling te worden getroffen waarin wordt bepaald dat een verkrijger in het geval een fiscale inbound GOS definitieve verliezen kan overnemen van de splitser die is gevestigd in een EU-lidstaat of EER-land. Daarnaast moet worden bepaald dat voor de verrekening van deze overgenomen buitenlandse verliezen dezelfde of vergelijkbare regels van toepassing zijn als het geval is bij het overnemen van (Nederlandse) verliezen in de zin van art. 20 Wet VPB 1969.
De huidige regels met betrekking tot het verrekenen van fiscale aanspraken over het (af)splitsingstijdstip heen zijn grotendeels ondergebracht in standaardvoorwaarden. Deze dienen in aangepaste vorm (zie hierna) te worden overgeheveld naar art. 14a Wet VPB 1969 en/of het Besluit reorganisaties. Deze aangepaste regels moeten ook gaan gelden voor situaties waarin fiscale aanspraken bij een fiscaal begeleide afsplitsing overgaan van de afsplitser naar de verkrijger(s).
De huidige standaardvoorwaarden over fiscale voorsplitsingsaanspraken beogen in de kern te bereiken dat zo’n aanspraak bij een verkrijger na het (af)splitsingstijdstip slechts kan worden verrekend binnen de sfeer van de onderneming waarin die aanspraak vóór de splitsing is opgekomen. Er wordt dus gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden. Het instrument dat hiervoor wordt gebruikt, is winstsplitsing.
De huidige winstsplitsingsregels bevatten overkill en dat is in strijd met de fiscaal-theoretische toets. Verrekeningspotentieel van een splitsingspartner dat pas na het (af)splitsingstijdstip ontstaat, kan namelijk ten onrechte niet worden gebruikt om op het (af)splitsingstijdstip bestaande fiscale aanspraken van een andere splitsingspartner te benutten. Het is voldoende te verhinderen dat fiscale aanspraken die onmiddellijk vóór het (af)splitsingstijdstip aanwezig zijn bij een splitsingspartner na dat tijdstip kunnen worden benut met verrekeningspotentieel dat op dat tijdstip al zit opgesloten in het vermogen van de andere splitsingspartner. Aldus wordt slechts voorkomen dat aan een fiscaal gefaciliteerde splitsing materiële terugwerkende kracht wordt verleend.
De (toelichtingen op de) geldende winstsplitsingsregels zijn niet op alle punten duidelijk. Dat is in strijd met de fiscaaltechnische toets. Ook de praktische toepassing van deze regels is bewerkelijk.
De huidige winstsplitsingsregels voldoen aan het hoger recht omdat de Fusierichtlijn geen regelende voorschriften bevat en de winstsplitsingsregels geen onderscheid maken tussen puur binnenlandse situaties en grensoverschrijdende EU-/EER-gevallen.
Er dient te worden overgestapt op een alternatief winstsplitsingssysteem waarmee de strijdigheden met het toetsingskader kunnen worden opgelost. Met het oog op de verrekening van voorsplitsingsverliezen met nasplitsingswinsten zijn in dit onderzoek drie varianten uitgewerkt:
Winstsplitsing op basis van winstcategorieën in plaats van ondernemingen.
Het verbeteren van het huidige winstsplitsingssysteem inclusief een tegenbewijsregeling.
Idem als b, maar met een ingebouwd moment waarop de winstsplitsing eindigt.
Met deze varianten kan de overkill in de huidige regels worden opgeheven (fiscaal-theoretische toets). Ook verhelpen deze varianten de onduidelijkheden in de huidige regels (fiscaaltechnische toets). De onder a genoemde variant scoort het minst goed qua praktische bewerkelijkheid en daarmee de uitvoerbaarheid (fiscaaltechnische toets). Om die reden stel ik voor de huidige regels te vervangen door de onder b of c genoemde variant. Daarbij heeft variant c mijn voorkeur.
Na de winstsplitsing volgt eventueel binnenjaarse verliessaldering waarna de buitenjaarse verliesverrekening plaatsvindt. Deze regels kunnen ongewijzigd blijven.
Op dit moment geldt ook een standaardvoorwaarde voor situaties waarin met of bij de splitsing een verlies wordt behaald dat wordt doorgeschoven naar de verkrijger(s). Het heeft mijn voorkeur deze regeling uit te breiden zodat ook latente (reguliere) verliezen van de verkrijger(s) eronder vallen.
De aangepaste regeling voor latente (reguliere) verliezen kan worden opgenomen in het Besluit reorganisaties. Daarin dient te worden verwezen naar de winstsplitsingsregels volgens het wenselijke recht. Ook zou bepaald moeten worden dat deze regels niet gelden voor verkrijgers die bij de splitsing worden opgericht. In de toelichting op deze regels zou verduidelijkt moeten worden wat precies wordt verstaan onder het genieten van een negatief voordeel. Ten slotte zou het ook bij afsplitsingen onder voorwaarden mogelijk moeten zijn een na het afsplitsingstijdstip door de verkrijger gerealiseerd (restant) negatief voordeel, dat verband houdt met het doorgeschoven splitsingsverlies, in mindering te brengen op de voorsplitsingswinst van de afsplitser.
Als de regels voor (reguliere) latente verliezen worden aangepast (zie hiervóór), bestaat er volgens mij geen noodzaak (meer) voor beperkende regels voor achterwaartse verliesverrekening over het (af)splitsingstijdstip heen. Nasplitsingsverliezen die op dat moment nog niet latent aanwezig waren, zouden namelijk zonder winstsplitsing verrekenbaar moeten zijn met voorsplitsingswinsten van de splitsingspartners. Daarbij dient dubbele verliesverrekening te worden uitgesloten. Ook zou geregeld moeten worden dat het winstverleden van de splitser zowel bij zuivere splitsingen als bij afsplitsingen wordt toebedeeld aan de verkrijger(s). Het huidige recht inzake zuivere splitsingen bevat hiervoor al regels die (mutatis mutandis) kunnen worden gebruikt voor afsplitsingen.
Wat betreft voortwentelingsaanspraken in verband met (i) deelnemingsverrekening, (ii) verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en (iii) buitenlandse bronbelasting zou eerst onderzocht moeten worden of winstsplitsingsregels noodzakelijk en wenselijk zijn. Mocht dat het geval zijn, dan is mijn voorstel de huidige regels aan te passen. Om eenvoudsredenen gaat mijn voorkeur uit naar een systeem dat is gebaseerd op variant c, die met het oog op voorwaartse verrekening van verliezen is uitgewerkt (zie hiervóór). Daarnaast zou bepaald moeten worden dat de zogenoemde derde limiet op zelfstandige basis dient te worden berekend.
De huidige standaardvoorwaarden over voortwentelingsaanspraken in verband met de earningsstrippingmaatregel zijn zeer ingewikkeld en dat conflicteert met de fiscaaltechnische toets. Het lijkt mogelijk deze complexiteit (enigszins) terug te dringen door gebruik te maken van een meer forfaitaire werkwijze. Tegelijkertijd dient ervoor te worden gewaakt dat de fiscaal begeleide splitsing niet (of zo min mogelijk) gepaard gaat met materiële terugwerkende kracht. Los hiervan zou de komende jaren gemonitord dienen te worden hoe vaak deze problematiek aan de orde is om vervolgens te beslissen of, en zo ja in hoeverre, nadere regels noodzakelijk en wenselijk zijn.
Het is in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets dat de verkrijgende rechtspersoon de posities met betrekking tot de liquidatie- en stakingsverliesregeling overneemt van de splitsende rechtspersoon voor zover die posities samenhangen met de overgenomen onderneming.
Tegelijkertijd is het volgens mij wenselijk dat met nadere regels wordt vermeden dat aan de fiscaal gefaciliteerde splitsing materiële terugwerkende kracht wordt verleend bij de verrekening van latente liquidatie- en stakingsverliezen. Zonder flankerende maatregelen zou zo’n latent verlies van de ene splitsingspartner kunnen worden afgezet tegen nasplitsingswinst die op het (af)splitsingstijdstip al zat opgesloten in het vermogen van de andere splitsingspartner.
In art. 14a Wet VPB 1969 zou bepaald moeten worden dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor de volgende situaties:
Op het tijdstip van het (af)splitsingsvoorstel behoort tot het vermogen van een splitsingspartner een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt dan wel daartoe is besloten.
Op het tijdstip van het (af)splitsingsvoorstel behoort tot het vermogen van een splitsingspartner een onderneming waarop art. 13e Wet VPB 1969 van toepassing is.
Binnen een periode van 36 maanden na de datum waarop de splitsing volgens het civiele recht van kracht wordt, is sprake van een staking als bedoeld in art. 15i Wet VPB 1969.
De nadere (technische) regels kunnen worden uitgewerkt in het Besluit reorganisaties. De huidige standaardvoorwaarden kunnen daarbij model staan mits wordt verwezen naar de aangepaste winstsplitsingsregels (zie hiervóór). Voorts is het niet nodig te bepalen dat de terugkeerregeling voor stakingsverliezen in art. 15j, lid 2, Wet VPB 1969 buiten toepassing blijft. Verder zou het ook bij afsplitsingen onder voorwaarden mogelijk moeten zijn een na het afsplitsingstijdstip door de verkrijger gerealiseerd (restant)liquidatie- of stakingsverlies dat samenhangt met de overgenomen onderneming in mindering te brengen op het winstverleden van de afsplitser. Ten slotte zou bepaald moeten worden dat de nadere regels met betrekking tot stakingsverliezen niet gelden als de verkrijger aannemelijk maakt dat de staking plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen die zijn opgekomen na de datum waarop de splitsing obligatoir is overeengekomen.
Uit de wetsgeschiedenis lijkt te volgen dat de (latente) innovatieboxpositie van de splitser volgens de wetgever een subjectgebonden aangelegenheid is die niet op grond van de fiscale indeplaatstreding kan overgaan naar de verkrijger. Volgens mij is de innovatieboxpositie gekoppeld aan het (voort te brengen) immaterieel activum en dus objectgebonden.
De (toelichting op de) huidige standaardvoorwaarden over de samenloop van de innovatiebox en fiscaal gefaciliteerde splitsingen zijn niet duidelijk genoeg en dat conflicteert met de fiscaaltechnische toets. Als de wetssystematiek wordt gewijzigd en de standaardvoorwaarden vervallen (zie hiervóór), dienen de nadere en verduidelijkte regels over de toepassing van de innovatiebox bij de verkrijger(s) na het (af)splitsingstijdstip te worden opgenomen in het Besluit reorganisaties.
Een belastingplichtige met een onbelaste compartimenteringsreserve kan als splitser deelnemen aan een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Daarbij kan het belang in verband waarmee die reserve is gevormd, (geheel of gedeeltelijk) overgaan naar (een) verkrijger(s). In zo’n geval verhuist ook de reserve naar die verkrijger(s). Dit is in overeenstemming met het toetsingskader.