Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.4.2.2:V.4.2.2 Hoofdstraf
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.4.2.2
V.4.2.2 Hoofdstraf
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460446:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. III.2.5 voor enkele (schaarse) voorbeelden van milieuvoorschriften waarin de bevoegdheid tot het opleggen van een boete is opgenomen. Het voorgaande laat onverlet dat ook een bestuursrechtelijke of privaatrechtelijke herstelsanctie door de leidinggevende als bestraffend kan worden ervaren.
Zie par. V.2 en uitvoerig par. II.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vereisten
De gevolgen die in het strafrecht kunnen worden verbonden aan het begaan van een bepaald strafbaar feit, worden in principe vermeld in het voorschrift dat is geschonden. Strafrechtelijke voorschriften zijn traditioneel ongeveer als volgt opgebouwd: ‘hij die [bestanddelen van het delict] wordt gestraft met [hoofdstraf ]’. De hoofdstraf is dus gekoppeld aan het delict.
Dit ligt iets anders in het economische milieustrafrecht. De bestuursrechtelijke milieuvoorschriften die in de WED worden genoemd verbinden niet zelf een straf aan het vervullen van de bestanddelen. Om dit gat te vullen beschikt de WED over een eigen sanctiesysteem. Artikel 1a WED verdeelt milieudelicten in verschillende categorieën, en in artikel 6 WED wordt per categorie de maximale straf vastgesteld. Als bestuursrechtelijke milieuvoorschriften via het doorgeefluik van artikel 1a WED binnenkomen, dan ‘plakt’ artikel 6 WED er als het ware een sanctie op. Op deze manier is aan ieder economisch milieudelict alsnog een sanctie gekoppeld.
Voor het opleggen van de hoofdstraf aan een leidinggevende in verband met het begaan van een milieudelict, is diens daderschap in beginsel voldoende. Daarop bestaat een uitzondering: als de verdachte met een succesvol beroep op een strafuitsluitingsgrond aantoont dat hij niet wederrechtelijk of verwijtbaar heeft gehandeld, volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Echter mag – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – worden verondersteld dat de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn vervuld.
Toepassing
Wanneer de wens bestaat om een leidinggevende te bestraffen voor het schenden van een milieuvoorschrift, dan is het strafrecht het aangewezen rechtsgebied. Het privaatrecht kent namelijk geen punitieve sancties en in het milieubestuursrecht is het slechts bij een aantal specifieke milieuovertredingen mogelijk om een bestuurlijke boete op te leggen.1 Punitieve handhaving van milieuwetgeving verloopt daarom hoofdzakelijk via het economische milieustrafrecht.2
De dader staat centraal
Zoals gezegd is het daderschap van een leidinggevende in beginsel voldoende voor het opleggen van de hoofdstraf die is gekoppeld aan het geschonden voorschrift. Dat in het strafrecht daderschap min of meer gelijkgeschakeld is aan strafbaarheid, illustreert dat het strafrecht dadergericht is. Welke precieze schadelijke gevolgen het milieudelict heeft gehad, kan bij het opleggen van de strafrechtelijke sanctie in principe in het midden blijven.3 Voor het bepalen van de hoogte van de sanctie zijn de ernst van het delict en de kenmerken van de dader zelf doorslaggevend. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid is ook niet van belang of de sanctie een einde kan maken aan de onrechtmatige toestand. Met de bestraffing van de dader wordt weliswaar mede beoogd toekomstige milieudelicten te voorkomen (generale en speciale preventie) maar dit preventieve effect is geen noodzakelijke voorwaarde voor het opleggen van de sanctie in individuele gevallen.