Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/4.2.4.5
4.2.4.5 Ontnemen versus reguleren van eigendom
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS390019:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In EHRM 28 februari 1986, appl. nr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk) overwoog het EHRM dienaangaande: “54. The first question that arises is whether the availability and amount of compensation are material considerations under the second sentence of the first paragraph of Article 1 (P1-1), the text of the provision being silent on the point. The Commission, with whom both the Government and the applicants agreed, read Article 1 (P1-1) as in general impliedly requiring the payment of compensation as a necessary condition for the taking of property of anyone within the jurisdiction of a Contracting State. Like the Commission, the Court observes that under the legal systems of the Contracting States, the taking of property in the public interest without payment of compensation is treated as justifiable only in exceptional circumstances not relevant for present purposes. As far as Article 1 (P1-1) is concerned, the protection of the right of property it affords would be largely illusory and ineffective in the absence of any equivalent principle. Clearly, compensation terms are material to the assessment whether the contested legislation respects a fair balance between the various interests at stake and, notably, whether it does not impose a disproportionate burden on the applicants (see the above-mentioned Sporrong and Lönnroth judgment, Series A no. 52, pp. 26 and 28, paras. 69 and 73).”
In de tweede volzin van art. 1 EP wordt gesproken over ontneming van eigendom, in de derde van regulering.
Ook indien er sprake is van een onomkeerbaar verlies van rechten kan sprake zijn van een ‘ontneming’. Zie hierover Tjepkema 2010, p. 619-620.
Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM geldt daarbij dat (EHRM 29 maart 2010, appl. nr. 34044/02, NJ 2011, 214 m.nt. Alkema (Depalle t. Frankrijk), § 78) “in determining whether there has been a deprivation of possessions within the second “rule”, it is necessary not only to consider whether there has been a formal taking or expropriation of property but to look behind the appearances and investigate the realities of the situation complained of. Since the Convention is intended to guarantee rights that are “practical and effective”, it has to be ascertained whether the situation amounted to a de facto expropriation (…)”
Zie bijv. EHRM 1 december 2005, appl. nr. 61093/00, EHRC 2006, 50, m.nt. Tjepkema (SCEA Ferme de Fresnoy t. Frankrijk).
Zie EHRM 29 maart 2011, nr. 33949/05, ECHR 2011, 99 m.nt. Tjepkema en De Jong (Potomska & Potomski t. Polen), § 63.
EHRM 9 maart 1989, appl. nr. 11763/85 (Banér t. Zweden): “Legislation of a general character affecting and redefining the rights of property owners cannot normally be assimilated to expropriation even if some aspect of the property right is thereby interfered with or even taken away.There are many examples in the Contracting States that the right to property is redefined as a result of legislative acts. Indeed, the wording of Article 1 para. 2 (Art. 1-2) shows that general rules regulating the use of property are not to be considered as expropriation. The Commission finds support for this view in the national laws of many countries which make a clear distinction between, on the one hand, general legislation redefining the content of the property right and expropriation, on the other.”
Tjepkema 2010, p. 625.
Zie EHRM 21 februari 1986, appl. nr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk) § 54 en EHRM 16 januari 2001, JOR 2001, 81 (Offerhaus t. Nederland), onder 2: “The Court recalls that an interference with the peaceful enjoyment of possessions must strike a fair balance between the demands of the general interest of the community and the requirements of the protection of the individual’s fundamental rights. The concern to achieve this balance is reflected in the structure of Article 1 as a whole, including therefore the second sentence, which is to be read in the light of the general principle enunciated in the first sentence. In particular, there must be a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised by any measure depriving a person of his possessions. Compensation terms under the relevant legislation are material to the assessment whether the contested measure respects the requisite fair balance and, notably, whether it imposes a disproportionate burden on the applicants. In this connection, the taking of property without payment of an amount reasonably related to its value will normally constitute a disproportionate interference (cf. Former King of Greece and Others v. Greece [GC], no. 25701/94, 23.11.2000, § 89).”
In EHRM 30 augustus 2007, appl. nr. 44302/02 (J.A. Pye (Oxford) Ltd e.a. t. VerenigdKoninkrijk), § 54, en EHRM 21 februari 1986, appl. nr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 54.
Zie de vorige voetnoot, en bijv. EHRM 11 februari 2010, appl. nr. 33704/04, EHRC 2010, 57 (Sud Parisienne de Construction t. Frankrijk).
Zo ook Tjepkema 2010, p. 643.
De vraag of sprake is van ontneming of van regulering doet zich bijvoorbeeld voor indien een vergunning wordt ingetrokken. Bij de intrekking van een zaaksgebonden vergunning lijkt het EHRM het standpunt in te nemen dat de vergunning als een onlosmakelijk onderdeel moet worden beschouwd van de zaak waaraan het verbonden is. In EHRM 7 juli 1989, appl. nr. 10873/84 (Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden) oordeelde het EHRM dat in het desbetreffende geval de drankvergunning een onderdeel was van het vermogen van een restaurant. De intrekking van de vergunning betreft dan geen ontneming maar regulering van eigendom. De regel dat een verdragsstaat in beginsel gehouden is tot een vergoeding van de marktwaarde geldt dan niet.
Zie bijvoorbeeld recent: EHRM 20 september 2011, appl. nr. 17854/04 (Shesti Mai Engineering OOD e.a. t. Bulgaria), zie verder Vande Lanotte en Haeck 2004, deel 2, p. 309.
EHRM 15 juli 2010, appl. nr. 44174/06, NJ 2011, 215 m.nt. Alkema (Chagnon & Fournier t. Frankrijk).
Hetzelfde heeft meen ik te gelden voor EHRM 29 maart 2010, appl. nr. 34044/02, NJ 2011, 214 m.nt. Alkema (Depalle t. Frankrijk) § 80, waarin de toestemming om een woning in een duingebied (publieke grond) te mogen hebben niet wordt verlengd, hetgeen niet werd aangemerkt als een ontneming van eigendom. De overweging daarbij dat het niet vernieuwen van de vergunning nog niet tot gevolg heeft gehad dat het huis is afgebroken, overtuigd niet. Voorzienbaar is immers dat door de weigering om de toestemming om ter plekke een huis te mogen bewonen te verlengen, het huis zal worden afgebroken.
Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een fair balance tussen het algemene belang dat de staat tracht te verwezenlijken en de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op eigendomsrechten, houdt het EHRM mede rekening met de mate waarin een vergoeding is toegekend.1 Wanneer is een vergoeding redelijk? Teneinde deze vraag te beantwoorden pleegt het EHRM de verzoeken wel te rubriceren in gevallen waarin sprake is van een ‘ontneming’ van eigendom en gevallen waarin sprake is van een ‘regulering’ van eigendom, in welk verband het EHRM spreekt over ‘a measure to control the use of property’.2
Bij ontneming is in beginsel sprake van verlies van het juridische eigendom.3 De juridische kwalificaties zijn daarbij niet beslissend. Het EHRM beziet of de facto sprake is van een ontneming van eigendom.4 Zolang de band tussen eigendom en eigenaar niet wordt verbroken, geldt een maatregel in beginsel als regulering van eigendom.5 Soms kan een zodanige wijze van regulering van eigendom zodanig ingrijpend zijn dat het EHRM de klacht beoordeelt als ware er sprake van een situatie van ontneming van eigendom.6 Wetgevende maatregelen die in algemene zin (de waarde van) eigendommen aantasten worden in beginsel aangemerkt als regulering.7
In beide gevallen past het EHRM het gehele (hiervoor besproken) stappenplan toe, om te bezien of een inbreuk kan worden gerechtvaardigd. Binnen de met betrekking tot art. 1 EP als terughoudend aan te merken toetsingswijze pleegt het EHRM een regulering van eigendom weer minder streng te toetsen dan gevallen waarin sprake is van ontneming van eigendom.8
Bij ontneming van eigendom geldt als uitgangspunt dat indien niet is voorzien in schadevergoeding, de inmenging in beginsel als disproportioneel moet worden beschouwd.9 Uit de jurisprudentie van het EHRM lijkt verder af te leiden dat bij ontneming van eigendom in beginsel vergoeding van de marktwaarde geïndiceerd is.10
De regel dat bij onteigening in beginsel aanspraak bestaat op volledige compensatie moet met behoedzaamheid worden gehanteerd. De standaardoverweging van het EHRM luidt enerzijds dat een vergoeding “an amount reasonably related to its value” moet zijn. Anderzijds is het ook vaste jurisprudentie dat op grond van art. 1 EP geen recht bestaat op een volledige vergoeding onder alle omstandigheden.11 Het is wel zo dat bij een lagere vergoeding dan de marktwaarde het in beginsel aan de verdragsstaat is om aannemelijk te maken dat het toekennen van een lagere vergoeding onder de omstandigheden was gerechtvaardigd.12 Het is niet steeds eenvoudig om vast te stellen of sprake is van een ontneming of van regulering.13 In het geval niet geheel duidelijk is of sprake is van ontneming of regulering van eigendom wordt dit ook wel in het midden gelaten door het EHRM.14 De proportionaliteitstoets wordt dan gehanteerd zonder het maken van deze tussenstap.
In een geschil tussen Franse schapenhouders en de Franse staat over de hoogte van de vergoeding bij het ruimen van vee na een uitbraak van mond en klauwzeer, oordeelde het EHRM dat het ruimen van vee geen ontneming, maar een regulering van het recht op eigendom betrof.15 Dat oordeel werd verder niet gemotiveerd. Wellicht dat daarbij heeft meegespeeld dat het EHRM in het desbetreffende geval aan het uitgangspunt wilde ontsnappen dat bij ontneming van eigendom in beginsel een recht bestaat op volledige schadeloosstelling. Het ware mijns inziens beter indien het EHRM in een dergelijk geval in het midden laat of sprake is van ontneming dan wel regulering.16 De verplichting tot ruiming bevatte elementen van beide. Wil het onderscheid tussen ontneming c.q. regulering hanteerbaar blijven, dan is het wenselijk dat een enigszins heldere afbakening tussen beide categorieën blijft bestaan, waarnaast dan een restcategorie van ondefinieerbare gevallen kan bestaan waarin de fair balance test kan worden toegepast, zonder de uitgangspunten zoals die gelden bij de categorieën ‘ontneming’ en ‘regulering’ van eigendom.