Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.5.1
3.4.5.1 EVRM en EHRM, het eigendomsrecht
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462072:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 juli 2002, appl.no. 34619/97, r.o. 54 (Janosevic).
EHRM 11 april 2006, appl.no. 19324/02 (Léger) en EHRM 10 juli 2001, appl.no. 33394/96 (Price).
Zie onderdelen 3.4.4.1, 3.4.4.2 en 3.4.4.4.
EHRM 2 oktober 2012, appl.no. 1484/07 (Kakabadze).
EHRM 6 november 2008, appl.no. 30352/03 (Ismayilov). Zie ook EHRM 11 januari 2007, appl.no. 35533/04 (Mamidakis), alwaar een boete van € 3 mln. en een boete-aansprakelijkstelling van bijna € 5 mln onevenredig werd geacht, omdat ‘the imposition of the fine in question had dealt such a blow to the applicant’s financial situation that it amounted to a disproportionate measure in relation to the legitimate aim pursued’ (volgens de ‘information note’ bij betreffend arrest).
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 april 2004, appl.no. 60115/00 (Amihalachioaie), EHRM 19 april 2011, appl.no. 3316/04 (Bozhkov), EHRM 19 april 2011, appl.no. 22385/03 (Kasabova), EHRM 18 september 2012, appl. no. 39660/07 (Lewan dowska-Malec). Ook een bestuurlijke boete kan een inbreuk op artikel 10 EVRM opleveren (EHRM 21 juli 2011, appl. nos. 32181/04 en 35122/05, par. 191 (Sigma)).
Zie bijvoorbeeld EHRM 21 maart 2006, appl.no. 70074/01 (Valico) en EHRM 14 februari 2006, appl.no. 53434/99 (Paulow).
Zie voor een voorbeeld voor een hypothetisch geval: EHRM 28 juni 2011, appl. no. 577/11 (Het Financieele Dagblad). In deze casus stelde Het Financieele Dagblad dat de opgelegde boeten zo hoog waren dat de persvrijheid gevaar liep.
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 september 2011, appl.no. 14902/04, par. 554 (Yukos).
Zie bijvoorbeeld EHRM 23 september 1982, Series A, no. 52, para. 69 en 73 (Sporrong and Lönnroth).
EHRM 3 juli 2003, appl.no. 38746/97, par. 32 (Buffalo).
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 september 2003, appl.no. 60243/00 (Balaz).
Zie bijvoorbeeld EHRM 21 maart 2006, appl.no. 70074/01 (Valico).
Zie bijvoorbeeld EHRM 28 maart 2006, appl.no. 34496/04 (Ekelöf) en EHRM 16 januari 2007, appl.no. 19402/03 (Provectus). En m.b.t. een vergelijkbare Finse zaak: EHRM 14 februari 2006, appl.no. 53434/99 (Paulow).
Zie bijvoorbeeld EHRM 28 juni 2011, appl.no. 577/11 (Het Financieele Dagblad) of EHRM 21 maart 2006, appl.no. 70074/01 (Valico). Zie voor een hoge fiscale bestuurlijke boete: EHRM 5 januari 2010, appl. no. 13102/04, par. 34 (Impar).
Zie ook EHRM 2 februari 2010, appl.no. 32798/06 (Monedero), o.a. behandeld door Pauwels, MBB 2012/02.
De in het tweede lid van artikel 17 Handvest genoemde bescherming van intellectueel eigendom, laat ik buiten beschouwing.
Zie ook Barkhuysen/Bos, p. 21/22.
Voor de nationale belastingrechter is artikel 17 van het Handvest slechts een enkele keer opgeworpen; zie bijvoorbeeld Rechtbank Breda 31 augustus 2012, nr. 12/ 1361 (ECLI:NL:RBBRE:2012:BX9479; NTFR 2013, 383, met noot Verstijnen) waarbij belanghebbende de heffing van overdrachtsbelasting betwistte (zie ook Hof Arnhem- Leeuwarden 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2028).
Het EVRM maakt geen melding van het evenredigheidsbeginsel in die zin dat het expliciet voorschrijft dat de zwaarte van de sanctie in verhouding moet staan tot de overtreding. Het evenredigheidsbeginsel maakt impliciet onderdeel uit van het EVRM.1 Overwegingen van het EHRM omtrent evenredige bestraffing zijn dan ook onder meer terug te vinden bij een beroep op artikel 3,2artikel 5,3artikel 6,4artikel 115 en artikel 1 EP.6
Dit onderzoek richt zich op een specifiek soort straf, namelijk de geldstraf. In onderdeel 3.4.4.2 is reeds ingegaan op de betekenis van het ‘fair trial’-beginsel voor de zorgvuldigheid van het onderzoek naar een evenredige geldstraf. Uit de rechtspraak van het EHRM komt echter naar voren dat geldelijke straffen ook andere rechten en vrijheden kunnen beknotten dan het recht op een eerlijke behandeling. Zo kan een geldstraf een inbreuk opleveren op de vrijheid van meningsuiting van artikel 10 van het EVRM.7 Ook kan een geldstraf strijdig zijn met het eigendomsrecht, zoals verwoord in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM.8 Vanwege het doel van dit onderzoek beperk ik mij tot de evenredigheidstoets die het EHRM uitvoert bij vermeende inbreuken op het eigendomsrecht door (hoge) geldboeten.9
Artikel 1 van het EP regelt kortweg het recht van een individu op het ongestoorde genot van zijn eigendom. Het artikel valt uiteen in drie te onderscheiden regels: het beginsel van ongestoord eigendomsgenot (eerste volzin van het eerste lid), de bescherming tegen ontneming van eigendom (tweede volzin van het eerste lid) en de mogelijkheid van regulering van eigendom (tweede lid). Volgens het EHRM moet de eerste regel gezien worden als een verwoording van het algemene beginsel, en de twee volgende regels zijn daar een uitwerking van.10
Bij de beoordeling van een eventuele onrechtmatige inbreuk op het algemene eigendomsrecht van de eerste volzin van het eerste lid van artikel 1 EP, onderzoekt het hof of de staat een eerlijke belangenafweging (‘fair balance’) heeft gemaakt tussen het algemene belang en de bescherming van het individuele eigendomsbelang.11 Volgens het hof kan een boete onrechtmatig zijn, wanneer deze een buitensporige last (‘excessive burden’) voor de betrokkene vormt of wanneer de boete een fundamentele inbreuk op zijn financiële positie met zich brengt.12 Van belang is dat met de boete, het middel, een legitiem doel (‘legitimate aim’) wordt nagestreefd. Staten hebben daarbij een ruime beoordelingsvrijheid,13 waarbij wordt aangetekend dat de keuze voor een boete, in plaats van voor een andere sanctie, onderdeel van deze ‘wide margin of appreciation’ uitmaakt.14 Mede als gevolg van deze ruime beoordelingsmarge komt het hof, net als bij de strafrechtelijke niet-geldelijke straffen, niet snel tot het oordeel dat een (fiscale) boete excessief is.15 Zelfs niet wanneer het zelf tot de conclusie komt dat de boeten in kwestie zeer hoog zijn.16,17
Het voorgaande neemt echter niet weg dat artikel 1 EP een invulling lijkt te geven aan het evenredigheidsbeginsel bij beboeting. Doel en middel moeten worden geduid en met elkaar in overeenstemming zijn, zodat het tevens een aanzet geeft voor de in acht te nemen strafbeïnvloedende omstandigheden (zie het volgende hoofdstuk).
Het recht op eigendom is eveneens vastgelegd in artikel 17 Handvest. Volgens de toelichting op dit artikel stemt het overeen met de bepaling van artikel 1 EP bij het EVRM.18 Daarnaast vermeldt de toelichting dat ‘dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte [heeft] als het door het EVRM gewaarborgde recht en de door het EVRM toegestane beperkingen mogen niet worden overschreden’.19 Hoewel mij nog geen jurisprudentie bekend is van het Hof van Justitie, kan ik mij voorstellen dat in de toekomst een vergelijkbare trend in de rechtspraak te zien zal zijn als bij het EHRM inzake mogelijke schendingen van artikel 1 EP.20 Vooralsnog biedt het weinig aanknopingspunten voor normering van het onderzoek naar strafbeïnvloedende omstandigheden.