Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.1.4:1.1.4 Opstallen: de tenzij-clausule van lid 1 van art. 6:181
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.1.4
1.1.4 Opstallen: de tenzij-clausule van lid 1 van art. 6:181
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301640:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor schade veroorzaakt door gebrekkige opstallen kent art. 6:181 ten opzichte van schade door roerende zaken en dieren een verfijning. De tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 bepaalt dat degene die een opstal in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt aansprakelijk is, tenzij ‘het ontstaan van de schade’ niet in verband staat met zijn bedrijfsactiviteiten. Het in de uitoefening van een bedrijf gebruiken van een opstal alléén is dus onvoldoende om ingevolge art. 6:181 te worden belast met de aansprakelijkheid van art. 6:174. Stel dat het dak van de door de carnavalsvereniging gehuurde loods vanwege hevige regenval plotseling bezwijkt door overbelasting wegens een gebrek in de hemelwaterafvoer. Zowel een aantal leden van de carnavalsvereniging als het in de loods gestalde paard wordt door de instorting getroffen. De gelaedeerde leden en ook de benadeelde paardenbezitter zoeken een verhaalsmogelijkheid. Een vraag is of de carnavalsvereniging, als degene die de gebrekkige opstal ten tijde van de schadeveroorzaking in de uitoefening van haar ‘bedrijf’ gebruikte, een beroep toekomt op de bevrijdende tenzij-clausule in lid 1 van art. 6:181. De slachtoffers van de instorting (waaronder het paard) bevonden zich in de loods vanwege het werk aan de praalwagen en de overige voorbereidingen van de optocht, hetgeen onderdeel uitmaakte van de carnavalsactiviteiten. Van ‘het ontstaan van de schade’ zou daarom gezegd kunnen worden dat dit in verband staat met de activiteiten van de vereniging, waarmee de aansprakelijkheid ex art. 6:174 voor de door de opstal veroorzaakte schade ingevolge art. 6:181 dan op de vereniging zou rusten. Van belang is echter dat inmiddels in HR 26 november 2010, NJ 2010/636 (DB/Edco) is aangenomen dat een redelijke toepassing van de tenzij-clausule van lid 1 van art. 6:181 met zich brengt dat het niet erop aankomt of ‘het ontstaan van de schade’ met de bedrijfsactiviteiten in verband staat maar ‘het ontstaan van het gebrek’, hetgeen nadien in HR 24 november 2017, RvdW 2017/1278 (Schavemaker/Planet c.s.) nog eens werd gepreciseerd tot ‘het bestaan of ontstaan van het gebrek’. Dit lijkt een ander licht op de zaak te werpen nu de activiteiten van de carnavalsvereniging, het bouwen van een praalwagen en het stallen van een paard, niets van doen hebben met het be- of ontstaan van de gebrek- kige hemelwaterafvoer. Zodoende zou de carnavalsvereniging ingevolge art. 6:181 niet zijn belast met de aansprakelijkheid ex art. 6:174. Wat is nu de meest wenselijke maatstaf ter toepassing van de tenzij-clausule van lid 1 van art. 6:181? Dient deze de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal een ruime of juist beperkte ontsnappingsroute te bieden? Een verband tussen het be- of ontstaan van het gebrek in de opstal en de bedrijfsuitoefening zal namelijk eerder ontbreken dan een verband tussen de bedrijfsuitoefening en het ontstaan van de – uiteindelijke – schade. Een vraag is ook waarom art. 6:181 kennelijk zwaardere eisen stelt aan de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal (art. 6:174) ten opzichte van roerende zaken (art. 6:173) en dieren (art. 6:179), en of een dergelijk verschil in benadering wel gerechtvaardigd is.