Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.7.1
3.7.1 Uit publieke middelen: Legal Aid
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS594935:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
En voorts naar Collins 2005, p. 213-6.
11 van de 15 case studies die door Hodges behandeld worden. Zie in het bijzonder het handzame overzicht op (Hodges 2001), p. 305-6. Het overzicht op p. 304 van de ontwikkeling van het aantal groepsacties over verschillende gebrekkige (medische) producten door de jaren heen (vanaf de jaren 60 tot en met de jaren 90) is eveneens illustratief. Men ziet een explosieve stijging in de jaren negentig. Zie voorts Oliphant 2002, p. 305 en Andrews 2002, p. 484-5, waar zij ook aan de desbetreffende case studies uit het boek van Hodges 2001 refereren, Collins 2006, p. 220-1 waar hij aan de hand van een case study de tekortkomingen van het oude stelsel uiteenzet.
Hodges 2001, p. 305-6. In de resterende gevallen is ofwel voortijdig een schikking getroffen, naar de reden daarvan kan men alleen gissen, ofwel is de actie bij gebrek aan een positief perspectief (in 5 van de 11 gevallen) gestaakt.
Legal Aid Board, A New Approach to Funding Civil Cases, 1999, par. 12.10, Hodges 2001, p. 188, Mildred 2000, p. 456. Collins 2006, p. 216-20, behandelt ook de toevoegingsprocedure- en beleid.
Overigens is het mogelijk om eerste een toevoeging te krijgen slechts voor het voorwerk ofwel voor de explorerende fase van de actie: Hodges 2001, p. 182.
Hodges 2001, p. 188-90.
Hodges 2001, p. 191, p. 195-6. In de literatuur is men kritisch over het nut en de hanteerbaarheid van dit criterium en wijst daarbij op een aantal problemen. Het begrip is subjectief en verandert met de tijd. Daarnaast kan het verwarring veroorzaken: getallen en media aandacht zijn slechte raadgevers bij de beoordeling van de aanwezigheid van een significant publiek belang. Ze zijn gemakkelijk te manipuleren.
Hodges 2001, p. 194-5.
Hodges 2001, p. 199-202.
Daarvoor kan wel een verzekering worden afgesloten, die door een paar verzekeraars per multi-party actie (en dus na het voorval) kan worden aangeboden. Hodges 2001, p. 188-9.
Hodges 2001, p. 198-9.
Hodges 2001, p. 199.
Hodges 2001, p. 182-3.
Collins 2005, p. 221-8.
Tijdens de herziening van het Engelse civiele procesrecht is ook het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand onder handen genomen. Voor de achtergrond van deze operatie verwijs ik naar hoofdstuk 2.1 Een en ander kwam in het oude systeem erop neer dat minder draagkrachtigen in letselschadezaken heel gemakkelijk een toevoeging konden krijgen, terwijl de toegevoegde advocaat zijn declaraties volledig vergoed kreeg. Laatstgenoemde was in feite degene die over de toewijsbaarheid van het toevoegingsverzoek besliste, omdat zijn inschatting van de haalbaarheid van de zaak doorslaggevend was. Er waren nauwelijks prikkels om claims grondig en kritisch te onderzoeken, voordat een actie werd ingesteld. Bovendien liepen de rechtzoekenden met een toegevoegde advocaat geen enkel risico op een proceskostenveroordeling, indien hun claim naderhand ongegrond mocht blijken te zijn. Als minder draagkrachtige konden ze niet bloot worden gesteld aan dergelijke betalingsverplichtingen.
De nadelen van dit financieringsstelsel werden in de context van massaschade alleen maar uitvergroot. Voor een adequate gerechtelijke afwikkeling was namelijk enige vorm van collectiviteit noodzakelijk, waarbij tevens claimvolume werd gecreëerd. Tot dat volume behoorden ook zwakke claims, die lastig uitgefilterd konden worden. Via dit claimvolume kon wel schikkingsdruk op de verweerders worden uitgeoefend. De grootste en meest spraakmakende multi-party acties uit het pre-Woolf tijdperk hadden inderdaad betrekking op beweerde aansprakelijkheid voor letselschade, die het gevolg zou zijn van gebrekkige (medische) producten2 In slechts twee van die gevallen is een schikking getroffen na voor de verweerders ongunstige rechterlijke deeluitspraken.3
De wijzigingen in het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, waardoor het in veel gevallen lastiger werd om een toevoeging te verkrijgen, hebben directe gevolgen gehad voor de financiering van multi-party acties. In beginsel dienen dergelijke acties via een cfa te worden gefinancieerd. Indien dat niet haalbaar blijkt te zijn, komt de CLS in beeld. Er is thans een centrale unit binnen de CLS die over budget beschikt dat is gereserveerd voor 'special cases and multi-party actions'. Het budget is in beginsel ontoereikend om alle toevoegingsaanvragen te honoreren. Een uitgangspunt bij de afwikkeling van massaschade is daarom dat de publieke middelen in dergelijke acties beter aangewend kunnen worden voor de beslechting van de gemeenschappelijke vragen (het generieke werk). Ze moeten niet onnodig worden ingezet voor de beantwoording van individuele rechtsvragen.4 Verzoeken om toevoeging in multi-party acties die via de lead solicitors bij de unit dienen te worden ingediend, worden beoordeeld volgens een drietal criteria.
Allereerst dient de rechter een GLO voor de actie te hebben uitgevaardigd. Dit veronderstelt dat reeds aanzienlijk voorwerk is verricht.5 Voorts dient bij de CLS de overtuiging te bestaan dat de meerderheid van degenen die profijt zullen hebben van de actie ook onder de normale regels aanspraak zouden kunnen maken op gefinancierde rechtsbijstand.6 Ten slotte dient een actie een 'significant' publiek belang te dienen. Dit criterium is lastig te definiëren.7 Een speciaal orgaan, het Public Interest Advisory Panel, kan de CLS in een concreet geval adviseren over het al dan niet aanwezig zijn van een dergelijk belang.8 Vermeldenswaard is dat ook de potentiële verweerders kunnen worden gehoord bij de beoordeling van een desbetreffend toevoegingsverzoek. De gedachte is dat zodoende meer volledige (vooral feitelijke) informatie over de kwestie kan worden verkregen op basis waarvan een weloverwogen beslissing over de financieringsaanvraag kan worden genomen.9
Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, wordt het generieke werk (voor)gefinancierd door de CLS namens de gehele groep eisers, ongeacht de financiële positie van ieder individu. Wel is het zo dat de 'vermogende' eisers een inkomensafhankelijke bijdrage in de gemeenschappelijke kosten dienen te leveren. Er geldt voorts een bescherming (`cost protection') ten opzichte van rechterlijke `cost orders' voor het generieke werk. Deze bescherming zal minder effectief zijn voor cliënten die vermogend zijn. De individuele kosten dienen in beginsel door de betrokkenen zelf te worden voldaan.10
Het bestaansrecht van deze fmancieringsbron wordt door sommigen in de literatuur na de introductie van de cfa' s ter discussie gesteld.11 De manier waarop het cfa systeem werkt heeft tot gevolg dat Engelse solicitors (vooralsnog?) minder grote winsten maken. Voor hen is het lastiger om de grote financiële lasten die een multiparty action met zich brengt, te dragen of voor te schieten. Zolang dat het geval is, zal aanvullende financiering van multi-party actions uit de publieke middelen structureel nodig zijn.12 Men heeft geprobeerd om daarin een balans te vinden via de verschillende toevoegingsvormen. Publieke financiering zou in eerste instantie alleen voor de voorfase kunnen worden verleend. Op basis daarvan zou gemakkelijker een verantwoorde risicoanalyse kunnen plaatsvinden om eventueel alsnog op cfa-basis verder te gaan.13
Ten slotte wordt door sommigen in twijfel getrokken of de CLS ook na de Woolfreforms in staat zal zijn om misbruik van het publieke financieringsstelsel van multiparty acties te voorkomen. De financiering van multi-party acties is een exercitie in riskbeheersing. Daar zijn instellingen zoals de CLS niet bekwaam in en ze zijn er ook niet voor bedoeld. Behalve dat zij geen verzekeringsinstellingen zijn, blijken ze in de praktijk ook gevoelig voor maatschappelijke druk om, uit juridisch oogpunt bezien, 'zwakke' acties te financieren. Ook wordt de CLS verweten te weinig transparant te zijn bij de besluitvorming om een actie al dan niet te financieren. Uit recente ervaringen blijkt dat aan deze verwijten enige geldingskracht niet kan worden ontzegd.14