Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.2.3:6.2.3 Flora- en faunawet
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.2.3
6.2.3 Flora- en faunawet
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS358582:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1998, 402.
Stb. 2001, 656.
Met uitzondering van de vissoorten waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is.
Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997 L 61/1). Zie ook art. 3.34 ontwerp Wnb.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Flora- en faunawet bestaat uit de in overzicht 6.2 genoemde hoofdstukken.
I. Algemene bepalingen
IV. Beschermde leefomgeving
VII. Overige bepalingen
II. Aanwijzing van beschermde soorten
V. Bijzondere bepalingen
VIII. Toezicht, straf- en dwangbepalingen
III. Algemene verbodsbepalingen
VI. Het faunafonds
IX. Overgangs- en slotbepalingen
De Flora- en faunawet1 stelt regels met het oog op de bescherming en het behoud van de instandhouding van in het wild levende diersoorten en plantensoorten. Zij is grotendeels op 1 april 2002 in werking getreden, en verving de Vogelwet 1936, de Jachtwet, een deel van de oude Natuurbeschermingswet uit 1968, de Nuttige Dierenwet 1914 en de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten.2 De wet gaat uit van het zogenoemde 'nee, tenzij-beginsel'. Handelingen met schadelijke gevolgen voor exemplaren van een beschermde diersoort zijn verboden, zoals het doden, verwonden, vangen, opzettelijk verontrusten, het beschadigen van rust- of verblijfplaatsen, alsook het verhandelen en het bezitten van exemplaren en producten daarvan. Ten aanzien van exemplaren van beschermde plantensoorten gelden gelijksoortige bepalingen. Van de verboden kan onder voorwaarden worden afgeweken, door het verlenen van ontheffing of vrijstelling. De bevoegdheid daartoe ligt ten dele bij de minister van ELenl, en ten dele - waar het gaat om ontheffingen en vrijstellingen in het kader van beheer en schadebestrijding - bij Gedeputeerde Staten van de provincies.
Er zijn veel diersoorten en plantensoorten aangewezen als beschermde inheemse soort. Overeenkomstig de Vogelrichtlijn zijn ook alle in Nederland van nature in het wild voorkomende Europese inheemse vogels beschermd, met uitzondering van gedomesticeerde individuen van de grauwe gans, de Europese kanarie, de rotsduif en de wilde eend. Verder zijn alle zoogdieren, met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis, beschermd, naast alle soorten amfibieën en reptielen, alsook de inheemse vissoorten.3 Voorts is een aantal vaatplantensoorten beschermd (waaronder orchideeën). Aan onder meer de CITES-verordening4 is uitvoering gegeven door diersoorten en plantensoorten aan te wijzen als beschermde uitheemse soort.
Voor de jacht en activiteiten die nodig zijn in het kader van beheer en schadebestrijding kent de wet verder afzonderlijke regimes. Ook voorziet de wet in de mogelijkheid voor provincies tot het aanwijzen van beschermde leefomgevingen. Hiermee kunnen kleinere afzonderlijke elementen veilig worden gesteld die van afzonderlijke betekenis zijn als de leefomgeving van een enkele planten- of diersoort. Van die bevoegdheid is nooit gebruik gemaakt, waar deze elementen grotendeels al binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS) afdoende bescherming vinden of anderszins afdoende beschermd kunnen worden door inzet van het instrumentarium van de Wet ruimtelijke ordening.