Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/1.3.1
1.3.1 Binnen de grenzen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507324:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rb. Overijssel 27 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2769, r.o. 6.21 (Luttermolenveld) en Rb. Noord-Nederland 18 december 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:8037, r.o. 4.9 (De Wite Brêge/Boarnsterhim). Vgl. ook Hof Amsterdam 18 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4694, r.o. 3.7 (Stoep aan de westkant) en CBb 17 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:358, r.o. 5.7 (Te hoge areaalaangifte). Vgl. ten slotte HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2213, NJ 2017/8 m.nt. P. van Schilfgaarde, AB 2016/398 m.nt. G. Boogaard, JOR 2017/8 m.nt. S.A.L. van de Sande & D. van Tilborg (FortisEffect c.s./Staat).
Zie voor het voorgaande artikel 2.3 lid 2 jo. artikel 2, aanhef en onder 3, onder a, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Het wijzigingsbesluit is op 24 september 2014 bekendgemaakt in Stb. 2014/333. Het inwerkingtredingsbesluit is op 16 oktober 2014 bekendgemaakt in Stb. 2014/358.
Vgl. CRvB 30 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1650, r.o. 4.8 (Inkomstenverrekening) en de noot van L.J.A. Damen bij deze uitspraak in AB 2018/355, punt 14 e.v.
Vgl. Konijnenbelt 1975, p. 66, die een inlichting (‘een eenvoudige mededeling betreffende de inhoud of de gebruikelijke uitlegging van het recht, het bestaan van een zekere rechtspraktijk e.d.’) tegenover een toezegging plaatst.
De bespreking wordt toegesneden op die gevallen waarin de overheid aansprakelijk is uit onrechtmatige daad wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie aan een burger, en waarin de aansprakelijkheid van de overheid erop is gebaseerd dat die burger door de informatie op het verkeerde been is gezet. Het gaat om situaties waarin de burger er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat hij juist en volledig werd geïnformeerd door de overheid. Hierbij is de onjuist- of onvolledigheid van de informatie een noodzakelijke voorwaarde voor aansprakelijkheid. Dit brengt mee dat de onjuist- of onvolledigheid op basis van objectieve maatstaven (in voorkomend geval: door uitleg van het objectieve recht) moet kunnen worden vastgesteld naar het moment van informatieverstrekking. De informatie moet ex tunc onjuist of onvolledig zijn geweest en niet pas na verloop van tijd onjuist of onvolledig zijn geworden door bepaalde wijzigingen van het relevante recht of de feiten.1 De actualiteit van informatie is immers vluchtig: in de informatiemaatschappij heeft informatie geen eeuwigheidswaarde maar veeleer een beperkte houdbaarheidsdatum. De (on)juistheid en (on)volledigheid van informatie – en de onrechtmatigheid van het overheidshandelen – moet dus worden vastgesteld op basis van een historische momentopname.
Stel dat een gemeente op 23 oktober 2014 mededeelt dat voor het oprichten van een carport in achtererfgebied een omgevingsvergunning is vereist indien de carport hoger is dan vier meter. Strikt genomen is deze mededeling niet onjuist wanneer eerst op 1 november 2014 een wijziging van het Besluit omgevingsrecht in werking treedt waardoor een dergelijke carport vergunningvrij kan worden opgericht tot een hoogte van vijf meter. Door deze wetswijziging wordt de verstrekte informatie niet met terugwerkende kracht onjuist, zelfs niet indien terugwerkende kracht zou zijn verleend aan de wetswijziging.2
Dit ligt genuanceerder indien de gemeente had behoren te begrijpen dat de burger wilde weten of hij een omgevingsvergunning nodig had voor het oprichten van een carport op 1 december 2014. Bij deze stand van zaken geldt het moment van informatieverstrekking nog steeds als peildatum voor de beoordeling van de informatie. In dit geval zou men echter wél kunnen zeggen dat op de peildatum, 23 oktober 2014, onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt. Op dat moment had de gemeente moeten weten dat een wijziging van het Besluit omgevingsrecht op korte termijn in werking zou treden én had zij moeten beseffen dat die wijziging relevant was voor de burger, die pas na de wetswijziging wilde gaan bouwen.3
Een ander uitgangspunt is dat de benadeelde tevens de geadresseerde van de informatie is, althans, degene is die schade heeft geleden doordat hij (zelf) kennis heeft genomen van de informatie die van overheidswege is verstrekt. Het moet erom gaan dat de benadeelde (en niet: anderen) zijn handelen heeft afgestemd op de informatie die hij van de overheid heeft ontvangen. Wat betreft het onderwerp van de informatieverstrekking, ligt de nadruk op informatie over de inhoud, gebruikelijke uitleg en toepassing van geldend(e) dan wel toekomstig(e) algemeen verbindende voorschriften, besluiten en beleid van de overheid.4 Dit neemt niet weg dat ook andere objecten van informatieverstrekking worden besproken. De nadruk komt evenwel in de loop van dit boek, en dan vooral vanaf het moment waarop wordt aangekomen bij de bespreking van de zorgvuldigheidsverplichtingen die uit hoofde van het ongeschreven recht op de overheid rusten (paragraaf 4.7), te liggen bij informatie over ‘het bestuursrecht’. De reden hiervoor is dat met name de verstrekking van informatie over dit onderwerp aanleiding geeft tot geschillen (paragraaf 3.2.1).
Hiervoor werd opgemerkt dat de aansprakelijkheid van de overheid voor onjuiste informatieverstrekking erop is gebaseerd dat zij de burger op het verkeerde been heeft gezet, en dat de burger er redelijkerwijs op heeft moeten mogen vertrouwen dat hij wél juist en volledig werd geïnformeerd door de overheid. In aansluiting hierop, moet de grond voor aansprakelijkheid erin zijn gelegen dat de overheid – door informatie te verstrekken – ten onrechte het vertrouwen heeft gewekt dat de burger juist en volledig is geïnformeerd. Dit vertrouwen wordt doorgaans gewekt door informatieverstrekking in de vorm van feitelijk handelen, waarvan de feitelijke en dus niet de publiekrechtelijke gevolgen schadeveroorzakend zullen zijn. Er zijn echter tussencategorieën denkbaar, zoals de figuur van het bestuurlijk rechtsoordeel, dat als hoofdregel niet is gericht op rechtsgevolg en als zodanig geen publiekrechtelijke gevolgen heeft (zie paragraaf 3.2.2 en 4.6.2). Voor deze tussencategorieën geldt evenwel onverminderd dat de tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad is gelegen in het (ten onrechte) wekken van een gerechtvaardigd vertrouwen bij burgers: het vertrouwen dat men juist en volledig is geïnformeerd, terwijl dat in feite niet zo is. Zie
Mede vanwege de karakterisering van informatieverstrekking als feitelijk handelen is de grondslag van de aansprakelijkheid van de overheid voor onjuiste informatieverstrekking veelal een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. In veel mindere mate gaat het om de schending van een wettelijke plicht in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW, zoals het geval is bij schending van het verbod van informatiemanipulatie van artikel 5:58 Wft (oud, zie paragraaf 4.5.4). Ook aansprakelijkheid voor schade als gevolg van onjuiste informatieverstrekking op grond van een bijzondere wettelijke bepaling, zoals artikel 117 Kadasterwet (zie paragraaf 4.3.1), komt zelden voor. In deze laatste gevallen is overigens eerder sprake van een zuiver objectieve informatieplicht. Hierbij is voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de schending van die plicht niet of minder van belang of de burger daardoor op het verkeerde been kan worden gezet, zoals is vereist in het kader van de subjectieve benadering van de schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.