Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/1.3.2
1.3.2 Buiten de grenzen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508619:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De onjuistheid of onvolledigheid van de verstrekte informatie is een basisvoorwaarde voor de toepasselijkheid van het leerstuk van overheidsaansprakelijkheid voor informatieverstrekking. De bewijsrechtelijke problematiek met betrekking tot voornoemde onjuistheid en onvolledigheid wordt echter buiten beschouwing gelaten. Deze problematiek lijkt geen andere dan die waarmee elke eiser in een civiele procedure op de voet van de artikelen 149 en 150 Rv wordt geconfronteerd. Een bespreking hiervan lijkt daarom geen toegevoegde waarde te hebben.
Vgl. bijvoorbeeld ABRvS 1 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2974 (Mestsilo’s Middelharnis), ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3683, AB 2016/415 m.nt. M.K.G. Tjepkema (Cleaning Service Veghel) en CBb 23 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:406 (BioCandeo I). Vgl. Kortmann 2018, p. 201-202.
Zie hierover het standaardwerk Vranken 1989 en daarnaast Smits 2003, p. 52 e.v. en Jansen 2012a.
De mogelijkheid van een veroordeling tot het verstrekken van juiste en volledige informatie (op grond van artikel 3:296 BW) wordt dan ook niet besproken.
Denk aan de verschillende verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen aan vertegenwoordigende lichamen. Zie bijvoorbeeld de inlichtingenplicht van artikel 68 Grondwet, waarover HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5149, NJ 2004/71 m.nt. T.M. Schalken, AB 2004/20 m.nt. T. Zwart (Mink K./Staat).
Vgl. bijvoorbeeld HR 20 maart 1992, NJ 1993/547 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1992/406 m.nt. F.H. van der Burg (Diemen/Rep-Tax of Bussluis) en HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0830, AB 2004/46 m.nt. G.A. van der Veen (Zeeuwse Eilanden/ Royal of Gekantelde vrachtwagen).
Vgl. bijvoorbeeld HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9331, JB 2002/111 m.nt. E.C.H.J. van der Linden (Hulter/Staat).
Vgl. in het kader van de Wob ABRvS (vz.) 14 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0529 (Besluitenlijst RAN), ABRvS 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0478, AB 2009/93 m.nt. P.J. Stolk (Demonstratie NVU) en ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9880 (Vechtpartij Uitgeest).
Vgl. bijvoorbeeld HR 24 juni 1983, NJ 1984/801 m.nt. M. Scheltema, AB 1983/548 m.nt. F.H. van der Burg (Gemeenteraadslid).
Vgl. bijvoorbeeld HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3436 (Trafigura/Staat) en ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253, JB 2016/87 m.nt. G. Overkleeft-Verburg (Verstrekking inkomensgegevens). Zie met betrekking tot de Wob bijvoorbeeld ABRvS 12 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF4388 (Stukken uit strafdossier), ABRvS 22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8257, AB 2011/54 m.nt. P.J. Stolk (Overzicht beroepsvissers) en ABRvS 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3263, AB 2015/26 m.nt. P.J. Stolk (Zendmast Bloemendaal).
Vgl. reeds HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel) en meer recent HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3014 (Friesland Vlees/Staat).
Zie bijvoorbeeld HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, AB 2016/58 m.nt. A.H.J. Hofman & G.A. van der Veen, JB 2015/140 m.nt. S.A.L. van de Sande (Overzee/Zoeterwoude) en HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, AB 2010/334 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2010/173 m.nt. R.J.B. Schutgens (Gelderland/ Vitesse). Zie over toezeggingen Menu 1994 en Kortmann 2018, p. 184 e.v.
HR 19 februari 1993, NJ 1995/704 m.nt. M. Scheltema, AB 1993/305 m.nt. F.H. van der Burg (Aruba/Lopez).
Rb. Zwolle-Lelystad 26 januari 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AS3863, r.o. 3.2 (Lunchroom Lübeck/Zwolle), Rb. Den Haag 8 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1195, r.o. 4.1 (Woningbouw Katwijk) en Rb. Den Haag 25 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9979, r.o. 4.8 (WVO/Staat).
Scheltema 1975, p. 36-38, maakt geen al te scherp onderscheid tussen toezeggingen en inlichtingen, en merkt op dat een inlichting soms het beste als een vage toezegging kan worden behandeld. Vgl. Konijnenbelt 1975, p. 66. Zie ook Van Triet 2018, p. 101.
Vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9920, NJ 2012/688 m.nt. M.R. Mok, JB 2012/ 176 m.nt. D.G.J. Sanderink & L.J.M. Timmermans (LVNL/Chipshol), HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1212, NJ 2014/387 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2015/177 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2014/148 m.nt. S.A.L. van de Sande (M./Staat) en HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1976, NJ 2019/46 m.nt. S.F.M. Wortmann (Raad voor de kinderbescherming).
Uit het voorgaande volgt dat een aantal leerstukken niet wordt behandeld. Het hart van dit boek wordt gevormd door het materiële overheidsaansprakelijkheidsrecht,1 waarbij het accent ligt op informatieverstrekking die op zichzelf moet worden aangemerkt als een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad. Uit de beperking tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad vloeit logischerwijs voort dat de aansprakelijkheid van de overheid uit rechtmatige daad niet aan de orde komt.2 Ditzelfde geldt voor de aansprakelijkheid van de overheid wegens de niet-nakoming van (pre-)contractuele verplichtingen tot het (nalaten van het) verstrekken van informatie of van wettelijke verplichtingen tot informatieverstrekking in contractuele verhoudingen.3 Hieruit volgt voorts dat andere gevolgen van het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie – dan schadevergoeding – in beginsel buiten beschouwing blijven.4 Dit betekent bijvoorbeeld dat de (zuiver) materieel bestuursrechtelijke gevolgen van onjuiste informatieverstrekking, bijvoorbeeld in verband met een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, maar ook de staatsrechtelijke5 en de strafrechtelijke of strafvorderlijke gevolgen van ondeugdelijke informatieverstrekking niet worden besproken. Aan het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel zal uiteraard wel zijdelings aandacht worden besteed (in het kader van een interne rechtsvergelijking, zie paragraaf 1.4).
De beperking tot aansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door de overheid brengt mee dat gevallen waarin ten onrechte in het geheel geen informatie is verstrekt niet worden besproken. Hiermee wordt (doorgaans) immers geen vertrouwen gewekt. In dit verband valt te denken aan de aansprakelijkheid van de overheid voor het schenden van waarschuwingsplichten, bijvoorbeeld in haar hoedanigheid van terrein- of wegbeheerder.6 Ook kan gedacht worden aan het nalaten om uit eigen beweging informatie te verstrekken over het geldende recht (de zogenoemde actieve informatieverstrekking)7 en aan de weigering om desgevraagd informatie te verstrekken. Hierbij is de aansprakelijkheidsgrond gelegen in het ten onrechte onthouden van informatie aan de burger,8 en wordt de over heid dus een verwijt van een geheel andere aard gemaakt, namelijk dat haar laten onrechtmatig is (en niet zozeer haar doen).
De overige leerstukken die verwantschap vertonen met het onderwerp van dit onderzoek vallen buiten de boot omdat (i) de aansprakelijkheid van de overheid hierbij niet is gebaseerd op het ten onrechte wekken van het vertrouwen dat de desbetreffende burger volledig en juist is geïnformeerd, (ii) de onjuistheid of onvolledigheid van de verstrekte informatie daarbij niet essentieel maar slechts een factor is in de te maken afweging,9 en/of (iii) de benadeelde hierbij geen schade lijdt doordat hij zelf kennisneemt van de informatie, maar juist doordat derden daarvan kennisnemen. Om deze redenen wordt niet ingegaan op de aansprakelijkheid voor het ten onrechte verstrekken van informatie (die op zichzelf juist en volledig is), bijvoorbeeld omdat de wet dat verbiedt of daarvoor geen grondslag biedt, of omdat de overheid daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan.10 Met een inherent gebrek aan de informatie zelf heeft dit niets van doen. Ook hier is het gemaakte verwijt aan het adres van de overheid van een principieel andere aard. De aansprakelijkheid voor naming and shaming en onrechtmatige publicaties blijft buiten behandeling, omdat de onjuistheid of onvolledigheid (ex tunc) van de informatie daarbij geen essentiële voorwaarde is voor de aansprakelijkheid van de overheid, en de aansprakelijkheid niet erop is gebaseerd dat de gelaedeerde vertrouwt op de informatie, maar juist daarop dat derden daarvan (kunnen) kennisnemen, met reputatieschade als gevolg.11
Verder komt de aansprakelijkheid voor het doen en/of niet-nakomen van toezeggingen niet aan de orde.12 Een overheidstoezegging is een onvoorwaardelijke13 uitspraak van de overheid die in concrete en ondubbelzinnige bewoordingen is gesteld en die een bepaalde (toekomstige) handelwijze van de overheid in het vooruitzicht stelt. Een toezegging heeft een begunstigend karakter, wordt gekenmerkt door eenzijdigheid, is gericht op een specifieke situatie en is persoonsgericht en -gebonden.14 Hiermee verschilt de aansprakelijkheid voor toezeggingen wezenlijk van de aansprakelijkheid voor zuivere informatieverstrekking als hiervoor in paragraaf 1.3.1 is omschreven.15 Ten slotte wordt niet ingegaan op de aansprakelijkheid van (wettelijke) adviseurs voor onjuiste advisering, nu de burger veelal niet (rechtstreeks) schade lijdt doordat hij op hun adviezen heeft vertrouwd, maar meestal doordat een geadviseerd overheidsorgaan op basis daarvan een schadeveroorzakend besluit heeft genomen.16 In een advies klinkt bovendien altijd een mening of oordeel door, terwijl dit bij zuivere informatieverstrekking niet steeds het geval is.
Op grond van het voorgaande zou men intussen anders kunnen vermoeden, maar (vooral) uit de hoofdstukken 2 en 4 blijkt dat een groot aantal leerstukken van geschreven en ongeschreven recht resteert dat binnen het bereik van de probleemstelling valt. Juist daarom is de hiervoor opgenomen uitvoerige en gedetailleerde afbakening van het onderzoeksonderwerp noodzakelijk.