Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.1.2
7.6.1.2 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291571:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 12 september 2000, zaak C-358/97, FED 2001/25, m.nt. Swinkels, r.o. 54 (Commissie/Ierland) en HvJ EG 12 september 2000, zaak C-359/97, BNB 2000/378, m.nt. Finkensieper, r.o. 66 (Commissie/Verenigd Koninkrijk).
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 53 (Stichting Goed Wonen I). Het Hof neemt dit letterlijk over - overigens zonder hiernaar te verwijzen - uit de conclusie van A-G Jacobs 25 september 1997, zaak C-346/95, ECLI:EU:C:1997:432, punt 16 (Blasi).
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 18 en 19 (Blasi).
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 20 (Blasi). In gelijke zin: conclusie A-G Jacobs 25 september 1997, zaak C-346/95, ECLI:EU:C:1997:432, punt 18 (Blasi).
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 21 (Blasi).
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 22 (Blasi).
Conclusie van A-G Jacobs 25 september 1997, zaak C-346/95 (Blasi), ECLI:EU:C:1997:432, punt 19. De criteria ‘het verstrekken van bijkomend diensten’ en ‘het centrum van de belangen van de betrokken persoon’ achtte hij te onzeker en moeilijk toepasbaar.
In gelijke zin: Bijl, noot bij HR 26 januari 2007, nr. 41.917, BNB 2007/153.
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 23-24 (Blasi).
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 25 (Blasi).
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 26 (Blasi). Deze overweging is naar mijn mening niet los te zien van de feitelijke context in de zaak Blasi waarin Blasi richting de gemeentelijke sociale dienst van München kenbaar had gemaakt dat zij enkel wenste te verhuren aan personen die minimaal voor zes maanden haar wilden blijven en ook enkele emigranten die korter bij haar wilden verblijven had afgewezen. Hoewel de gemiddelde werkelijke verblijfsduur 14,4 maanden bedroeg, had Blasi niet de mogelijkheid om een (huur)overeenkomst voor een periode van zes maanden of langer te sluiten, omdat zij voor de betaling van de huur afhankelijk was van de overnameverklaringen die door de gemeente sociale dienst doorgaans voor de periode van slechts één maand werden verstrekt.
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 5 en 6 (Blasi).
Timeshare, dat in Nederland ook wel periode-eigendom of gebruik in deeltijd wordt genoemd, laat zich lastig vangen in een sluitende definitie. Time share komt er meestal op neer dat een onroerend goed in een vakantieoord, in juridische dan wel economische zin wordt overgedragen aan een aantal particulieren gezamenlijk, die op grond van hun mede-eigendom elk slechts gedurende een beperkte, meestal nauwkeurig omschreven periodiek weerkerende tijd van hun vakantiewoning of appartement (inclusief de verdere faciliteiten die het vakantieoord biedt, zoals zwembaden, stranden, sportfaciliteiten, restaurants etc) gebruik mogen maken (A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 551-552).
HvJ EG 16 december 2010, zaak C-270/09, V-N 2011/9.16 (Macdonald Resorts Limited). Dat het Hof in het midden laat of de verhuurdienst op grond van (het doel van) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn belast is, is niet los te zien van de vraagstelling van de verwijzende rechter en de beoordelingsruimte van de lidstaten. De verwijzende rechter wenste slechts te vernemen of deze dienst kwalificeert als een verhuurdienst, de lidmaatschap van een club of een andere dienst. De vraag betrof derhalve uitsluitend de kwalificatie van de prestatie. De vraag of deze dienst valt onder (thans) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn is derhalve niet gesteld en door het Hof daarom ook niet beantwoord. Daarnaast overweegt het Hof dat lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken over de vraag welke accommodatieverstrekking overeenkomstig (thans) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn moet worden belast. Niettemin ligt het belasten van deze dienst op grond van (het doel van) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn in de rede. De Point Rights in deze zaak verlenen het recht op een kortdurend verblijf in een vakantieresort, de Point Rights worden verleend door een vennootschap wiens activiteit bestaat uit de commercialisatie van timesharebelangen in woningen in vakantieresorts in het Verenigd Koninkrijk en Spanje (lees: een bedrijfsmatige activiteit) én de leden hebben de contractuele mogelijkheid om met instemming van Macdonald Resorts Limited de Points Rigths in te wisselen voor een tijdelijk verblijf in een door Macdonald Resorts Limited geëxploiteerd hotel (hetgeen naar mijn mening een aanwijzing is dat de woningen in de vakantieresorts een soortgelijke functie hebben als de hotelaccommodatie).
In de arresten Commissie/Ierland en Commissie/Verenigd Koninkrijk overweegt het Hof van Justitie dat het communautair begrip (thans: uniebegrip) ‘verhuur’ in sommige opzichten ruimer is dan het civielrechtelijke begrip ‘verhuur’ in de verschillende lidstaten, omdat eerstgenoemd begrip ook het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf omvat.1 Hieruit blijkt dat het Hof het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie als bedoeld in (thans) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn beschouwt als een verhuurdienst. Dit laat onverlet dat deze verhuurdienst wel een ander karakter heeft dan de verhuurdiensten waarvoor de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn is bedoeld. Kenmerkend voor deze verhuurdienst is dat zij (in de regel) leidt tot een actievere exploitatie van onroerend goed, zodat btw-heffing gerechtvaardigd is (zie paragraaf 7.5).2
Omdat art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn een uitzondering is op de vrijstelling voor verhuur van onroerend goed moet zij ruim worden uitgelegd.3 Dit geldt ook voor de uitdrukking ‘sectoren met een soortgelijke functie’ in art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn, omdat zij beoogt om het tijdelijk verstrekken van accommodatie dat (potentieel) concurreert met het verstrekken van hotelaccommodatie aan btw-heffing te onderwerpen.4 Hiermee wordt recht gedaan aan de concurrentieneutraliteit. De lidstaten beschikken over een beoordelingsruimte om te bepalen welke accommodatieverstrekkingen op grond van 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn moeten worden belast, maar die beoordelingsmarge is begrensd door het doel van de bepaling: het maken van onderscheid tussen de vrijgestelde verhuur van woonruimte en de belaste verstrekkingen van accommodatie in het hotelbedrijf en soortgelijke sectoren.5
Het is aan de lidstaten om criteria in te voeren die zij passend achten om dit onderscheid aan te brengen.6 Het Hof van Justitie acht de verblijfsduur een passend criterium, omdat een verblijf in een hotel eerder kortdurend en een verblijf in een huurwoning eerder langdurend is. Het Hof gaat niet zo ver als A-G Jacobs die – net als Bours (zie paragraaf 7.6.1.1) – meende dat de verblijfsduur het (wezenlijke) onderscheidende criterium is.7 Lidstaten hebben derhalve de mogelijkheid om andere criteria dan de verblijfsduur te hanteren.8 Het door Duitsland toegepaste criterium ‘verstrekken van accommodatie van korte duur’, hetgeen in de Duitse jurisprudentie werd uitgelegd als minder dan zes maanden, is naar het oordeel van het Hof een redelijk middel om te verzekeren dat btw wordt geheven over het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie.9 Het bepalen van de verblijfsduur aan de hand van het geobjectiveerde voornemen van partijen, de gesloten (huur)overeenkomst, acht het Hof een gemakkelijk en passend criterium.10 Het Hof van Justitie oordeelt echter dat als de in de (huur)overeenkomst vastgestelde verblijfsduur niet overeenkomt met de werkelijke bedoeling van partijen, bijv. vanwege de automatische verlenging van de huurovereenkomst, het aan de nationale rechter is om te bepalen of niet veeleer de werkelijke totale verblijfsduur in aanmerking moet worden genomen.11
Zoals hiervoor is aangegeven, moet het begrip ‘het verstrekken van accommodatie in sectoren met een soortgelijke functie’ in art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn ruim worden uitgelegd. Uit de zaak Blasi is af te leiden dat ook de verhuur (van kamers in) doorsnee woonhuizen ‘het verstrekken van accommodatie in een sector met een soortgelijke functie als het hotelbedrijf’ kan zijn. In deze zaak ging het om gewone woonhuizen in de stad München waarbij ieder woonhuis verschillende appartementen bevatte. Deze appartementen werden door Blasi ter beschikking gesteld aan migranten die door de gemeentelijke sociale dienst van München naar haar waren verwezen. De kamers die aan de migrantengezinnen ter beschikking werden gesteld waren volledig gemeubileerd en uitgerust met een kookgelegenheid. De migranten zorgden zelf voor de schoonmaak van de kamers, terwijl Blasi zorgdroeg voor de verstrekking en reiniging van beddengoed en de schoonmaak van de vloeren, trappenhuizen, badkamers en toiletten. De woningen beschikten niet over een receptie, dagverblijven of andere gemeenschappelijke ruimten.12
Uit de zaak Macdonald Resorts Limited is af te leiden dat ook het tijdelijk gebruik van een woning in een vakantieresort op basis van een timesharingproduct onder art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn kan vallen.13 In deze zaak ging het om een timesharingsproduct waarbij een club zonder rechtspersoonlijkheid werd opgericht en door de leden zogenoemde ‘Point Rights’ werden gekocht van Macdonald Resorts Limited, of werden verkregen door inbreng van eerder van Macdonald Resorts Limited gekochte timesharebelangen in de trustee, een soort bewarend vennoot, die gedurende 30 jaar jaarlijks ingewisseld konden voor het tijdelijk verblijf in een woning in een vakantieresort in het Verenigd Koninkrijk of Spanje of, mits Macdonald Resorts Limited daarmee instemde, in een door Macdonald Resorts Limited geëxploiteerd hotel. Het Hof van Justitie oordeelde in deze zaak dat bij het inwisselen van deze Point Rights sprake is van een verhuurdienst en dat (thans) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn niet eraan in de weg staat dat lidstaten deze dienst aan btw-heffing onderwerpen.14