Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.4.5
II.5.4.5 Tussenconclusie feitelijk leidinggeven
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460406:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wolswijk 2007a, p. 86-87.
Als kan worden bewezen dat de leidinggevende zich opzettelijk onwetend gehouden heeft, is het daarentegen in beginsel wel mogelijk om te bewijzen dat de leidinggevende die geen kennis had van het tenlastegelegde milieudelict het delict niettemin opzettelijk heeft bevorderd.
De HSE in HSE-officer staat voor ‘Health, Safety and Environment’, en KAM voor ‘Kwaliteit, Arbeidsomstandigheden en Milieu’.
Vergelijk Rb. Den Haag 20 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1660 (HSE-medewerker Sterigenics) en Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1594 (KAM-coördinator Chemie-pack).
Zie par. II.5.4.3.
Feitelijk leidinggeven is een veelgebruikte daderschapsvorm voor het persoonlijk aansprakelijk stellen van leidinggevenden voor milieudelicten. In deze subparagraaf stond ik stil bij het algemene leerstuk van feitelijk leidinggeven en bij de toepassing van dit leerstuk in het milieustrafrecht. In dat kader kwamen ook de mogelijkheden en obstakels in beeld voor het aansprakelijk stellen van leidinggevenden.
Veel milieudelicten die voor vervolging in aanmerking komen, zullen opzettelijk plaatsvinden met medeweten van de leidinggevenden. Indien de leidinggevende het initiatief neemt tot het begaan van het milieudelict, of een sleutelpositie heeft bij de uitvoering ervan, hoeft er geen twijfel te bestaan dat de betreffende leidinggevende kan worden aangesproken als feitelijk leidinggever. De ondergrens van feitelijk leidinggeven komt dan niet in beeld.
Het kan ook zijn dat een leidinggevende op een meer passieve manier bevordert dat de rechtspersoon een milieudelict begaat. De Slavenburg-criteria geven richting bij de beoordeling of een leidinggevende in zo’n geval – door niet in te grijpen – kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever. In dat kader is het belangrijk te onthouden dat het niet gaat om feitelijk leiding geven aan de rechtspersoon, maar om feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging binnen een rechtspersoon.1
Bij de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden is het eerste criterium van de Slavenburg-toets (het bevoegdheidscriterium) in veel gevallen snel vervuld. De door mij bestudeerde groep van potentiële daders – leidinggevenden – kenmerkt zich immers door de zeggenschap die de daders hebben over de bedrijfsprocessen en de handelingen van de ondergeschikten. Wel zal moeten worden bezien of de aangesproken leidinggevende ook daadwerkelijk zeggenschap had over de activiteit waarmee een milieuvoorschrift is overtreden; een leidinggevende die (formeel) noch feitelijk invloed had op het al dan niet voorvallen van de verboden gedraging, voldoet niet aan het bevoegdheidscriterium en is ook niet gehouden om maatregelen te nemen ter voorkoming van de verboden gedraging (het tweede Slavenburg-criterium).
Een taakverdeling kan in de weg staan aan de gehoudenheid om maatregelen te nemen. Toch volgt uit de jurisprudentie dat – ondanks het delegeren van bepaalde taken – de topfunctionarissen, meer specifiek bedrijfsleiders en (formele) bestuurders – ook zelf tot op zekere hoogte gehouden zijn om maatregelen te nemen om bepaalde milieudelicten te voorkomen, en dan vooral met betrekking tot overtredingen van vergunningsvoorschriften. Een mogelijk obstakel voor de kwalificatie als feitelijk leidinggever van deze topfunctionarissen, is dat moet worden aangetoond dat zij ten minste voorwaardelijk opzet hebben met betrekking tot het milieudelict (vierde Slavenburg-criterium). Ook al mag het opzet een tamelijk globale strekking hebben, er wordt in de rechtspraak wel aan gehecht dat de topfunctionaris over kennis beschikt over het voorvallen van de verboden gedraging of met betrekking tot omstandigheden die daar rechtstreeks verband mee houden. Zeker in complexe- of in slecht-georganiseerde rechtspersonen, kan het lastig zijn om te bewijzen dat de leidinggevende beschikt over zodanige kennis. Dat is echter de prijs die men betaalt voor het weren van risicoaansprakelijkheid en het waarborgen van de onschuldspresumptie in het economische strafrecht.2
Grotere milieu-inrichtingen zullen een functionaris hebben die toezicht houdt op de naleving van milieuvoorschriften, bijvoorbeeld een KAM-coördinator/HSE-officer.3 Van een persoon met een dergelijke functie mag worden verwacht dat deze op de hoogte is van eventuele milieuovertredingen, met als gevolg dat – indien maatregelen tegen de voortdurende of dreigende milieuovertreding uitblijven (het derde Slavenburg-criterium) – de bewuste aanvaarding van de betreffende verboden gedraging al snel aangetoond kan worden. Bij een dergelijke functionaris is het echter van belang om te onderzoeken of deze binnen de organisatie zodanige invloed heeft dat hij de verboden gedraging kan voorkomen.4 Bij andere leidinggevenden die dichter op de werkvloer zitten kunnen zich vergelijkbare obstakels met betrekking tot bevoegdheid en gehoudenheid voordoen.
Als een leidinggevende actief en effectief stuurt op een verboden gedraging, komen deze overwegingen met betrekking tot de organisatiestructuur niet aan bod. De Slavenburg-toets is immers bedoeld als ondergrens van feitelijk leidinggeven5
Verder wil ik benadrukken dat feitelijk leidinggeven geen secundair karakter heeft, in die zin dat de wetgever een vervolgingshiërarchie heeft beoogd die natuurlijke personen met een leidinggevende functie ontziet. Deze aansprakelijkheidsfiguur is juist in het leven geroepen om naast of in plaats van de rechtspersoon ook de strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen natuurlijke personen. Voor feitelijk leidinggeven is bovendien een zelfstandig, persoonlijk verwijt vereist, dat niet is afgeleid van het verwijt dat de rechtspersoon wordt gemaakt.
Ten slotte breng ik in herinnering dat de daderschapsvormen kunnen overlappen, en dat het in veel gevallen mogelijk zal zijn om een leidinggevende in plaats van als feitelijk leidinggever aan te spreken als pleger of medepleger van een milieudelict. Bezien vanuit de materiële criteria, ligt het in een dergelijke situatie het meest voor de hand om de leidinggevende aan te spreken als (functionele) pleger. Er kunnen echter situaties bestaan waarin het toch makkelijker is om de leidinggevende aan te spreken als deelnemer, waarover in de paragraaf II.6 van dit hoofdstuk meer.