De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.8:1.8 Methodologie
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.8
1.8 Methodologie
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701872:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift berust voor het overgrote deel op de zogenaamde klassiek juridisch-dogmatische methode. Daarmee bedoel ik, dat ik de relevante wetgeving, rechtspraak en rechtsgeleerde literatuur uitgebreid heb geanalyseerd aan de hand van ‘desktop research’. Voor sommige hoofdstukken zal daarbij gelden dat de noodzakelijke inzichten voornamelijk zullen voortvloeien uit de literatuur. Dat geldt bijvoorbeeld voor het rechtshistorisch onderzoek in hoofdstuk 3. Voor andere hoofdstukken zal dan weer gelden dat de relevante onderzoeksinformatie met name naar voren komt uit de rechtspraak (zoals hoofdstuk 8). Al met al zal een synergie van alle primaire en secundaire juridische bronnen leiden tot de beantwoording van de in § 1.3 geformuleerde onderzoeksvragen. Voor bepaalde hoofdstukken, alsmede de daarin centraal gestelde deelvragen, zal ik evenwel ook gebruik maken van andere juridische onderzoeksmethoden.
Dat geldt in het bijzonder voor hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk onderzoek ik in hoeverre de claim dat de positie van de schadedeskundigen bijzonder is, daadwerkelijk gestand kan worden gedaan. Voor de beantwoording van die vraag zal ik een intern rechtsvergelijkend onderzoek verrichten door de positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen indicatief te vergelijken met andere deskundigen in de Nederlandse rechtsorde. Een belangrijk onderdeel van dat hoofdstuk is het kwantificeren van de invloed van verschillende soorten deskundigenadviezen – waaronder natuurlijk die in het onteigenings- en nadeelcompensatierecht – op het oordeel van het bestuursorgaan of de rechter. Daartoe zal ik een aantal indicatieve jurisprudentieanalyses verrichten, waarvan ik de methodologische verantwoording geef in de bijbehorende paragrafen (§ 4.2.4 en § 4.3.4).
Ook hoofdstuk 6 bevat een kleine uitbreiding van de klassiek juridisch-dogmatische methode. In dat hoofdstuk doe ik onderzoek naar de mogelijke wijzen om de kwaliteit van de schadedeskundige te kunnen controleren en (eventueel) te kunnen borgen. Ik betrek in dat gedeelte van het onderzoek ook de wijze waarop dit in enkele van de ons omliggende landen wordt gedaan. In zoverre bevat het onderzoek in dat hoofdstuk ook extern rechtsvergelijkende componenten.
Het onderwerp in dit proefschrift heeft veel relevantie voor de praktijk. Tegelijkertijd beschik ik zelf – zeker bij de aanvang van dit onderzoek – niet over de ervaring om vanuit de praktijk op bepaalde juridisch dogmatische bevindingen te reflecteren. Daarom heb ik door middel van een aantal indicatieve gesprekken met ‘stakeholders’ in de onteigenings- en nadeelcompensatieprocedure extra inzichten opgedaan en mijn blikveld verruimd. Op die manier wordt voorkomen dat het onderzoek in een wetenschappelijk ‘isolement’ tot stand komt. Ik heb met name praktische ruggespraak gezocht over de in hoofdstuk 5 ontwikkelde kwaliteitscriteria voor deskundigen. Ten behoeve van datzelfde doel – i.e. het door de praktijk ‘staven’ van onderzoeksresultaten – heb ik ook contact gelegd met bijvoorbeeld rechtbanken, gemeenten en overheidsinstanties zoals Rijkswaterstaat. Ondanks het uitsluitend indicatieve karakter van dit soort informatie, heb ik – wanneer ik mij van een dergelijke ‘praktijkbron’ heb bediend – steeds methodologisch aangegeven hoe de informatie is verkregen.
Het onderzoek is afgerond op 1 september 2022. Met latere wetgeving, rechtspraak en literatuur is in beperkte mate rekening gehouden.