De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.5:1.5 Plan van aanpak en leeswijzer
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.5
1.5 Plan van aanpak en leeswijzer
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701873:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De door mij in § 1.3 geformuleerde onderzoeksvragen beantwoord ik aan de hand van verschillende hoofdstukken. In sommige hoofdstukken wordt een deelvraag beantwoord, andere hoofdstukken bevatten een direct antwoord op een onderzoeksvraag. In het laatste hoofdstuk – de conclusie – vat ik de resultaten uit de opvolgende hoofdstukken nog eens samen en formuleer ik een concreet antwoord op de onderzoeksvragen. Ook presenteer ik in dat hoofdstuk enige voorstellen voor verbetering. Die voorstellen zien voornamelijk op het tot stand brengen van een transparante benoemingsprocedure en van een adequaat functionerend systeem van kwaliteitscontrole en -borging. Het boek is opgebouwd zoals hierna in de ‘leeswijzer’ tot uitdrukking komt.
In hoofdstuk 2 komen de verschijningsvormen van de schadedeskundigen aan bod. Ik geef antwoord op de vraag in welke wetten en regels de schadedeskundigen voorkomen en hoe het benoemingsproces en de adviestaak er volgens die wetten en regels uitziet. Daarmee heeft hoofdstuk 2 het karakter van een juridische terreinverkenning. Zoals ik in § 1.3 reeds vermeldde, acht ik een dergelijke terreinverkenning raadzaam voor het vervolg van dit boek.
In hoofdstuk 3 ga ik in op de historische herkomst van de positie van de schadedeskundigen. De deelvraag die zich in dat hoofdstuk aandient, is of de huidige – ogenschijnlijk belangrijke en bijzondere – positie van de schadedeskundigen historisch verklaarbaar is en, indien dit het geval is, hoe die verklaring dan luidt.
In hoofdstuk 4 ga ik vervolgens nader in op de bijzondere kenmerken van de schadedeskundige. Ik zal in dat hoofdstuk de vraag beantwoorden of de claim dat de schadedeskundigen ‘bijzonder’ zijn ten opzichte van andere deskundigen die adviseren in juridische procedures daadwerkelijk gestand kan worden gedaan.
De bevindingen in hoofdstuk 4 bepalen mede de kwaliteitseisen die aan de schadedeskundigen gesteld moeten worden. Inzicht in het begrip ‘kwaliteit’ vergt echter een operationalisering van dat begrip naar een concreet toetsingskader. Die operationalisering verricht ik in hoofdstuk 5. De deelvraag die in dat hoofdstuk aan de orde komt, is uit welke eisen de ‘kwaliteit’ van de schadedeskundigen bestaat en hoe procesactoren die kwaliteit kunnen beoordelen.
In hoofdstuk 6 richt ik de aandacht op de potentiële controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen. Bestaan er mechanismen waarmee de kwaliteit van de schadedeskundigen kan worden gecontroleerd? Kunnen die controlemechanismen wellicht ook een rol spelen in de borging van de kwaliteitseisen?
Daarna doe ik in hoofdstuk 7 onderzoek naar de stand van de controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen ten aanzien van de schadedeskundigen in de Nederlandse onteigenings- en nadeelcompensatiepraktijk. De vraag is of en, in hoeverre, er in de huidige rechtspraktijk gebruik wordt gemaakt van controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen en of die mechanismen volstaan om de kwaliteitseisen adequaat te controleren en te borgen.
In hoofdstuk 8 verlaat ik het terrein van de controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen en richt ik mij op de wijze waarop de (hoogste) rechter omgaat met juridische bezwaren en gronden omtrent de kwaliteit van de schadedeskundige. Afhankelijk van het onderliggende rechtsgebied is óf de bestuursrechter, óf de civiele rechter bevoegd om kennis te nemen van die klachten. Deelvragen die in dit hoofdstuk aan de orde komen zijn of beide rechters even vaak worden geconfronteerd met klachten over de kwaliteit van een deskundige. En, indien dat niet het geval is, wat mogelijke verklaringen voor dat verschil zijn. Ook bekijk ik over welke kwaliteitseisen het vaakst, en over welke eisen minder vaak wordt geprocedeerd en aan welke norm(en) beide rechters de kwaliteitseisen toetsen.
Hoofdstuk 9, ten slotte, bevat de conclusies die uit dit onderzoek voortvloeien, een beantwoording van de onderzoeksvragen en de daarop gebaseerde aanbevelingen.