Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.7:6.7 Conclusie
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.7
6.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604701:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2005/06, 30320, nr. C, p. 4, respectievelijk Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6 p. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 410a Sv geeft in elk geval ruimte voor een combinatie van afgescheiden en inhoudelijke toegangsbeoordeling. In eerste aanleg hoeft het mondeling vonnis niet uitgewerkt te worden, de verlofvoorzitter kan met bureaubeoordeling van de stukken van het geding volstaan, zijn beoordeling kan bovendien globaal blijven en zijn oordeel hoeft nauwelijks te worden gemotiveerd. Het verlofstelsel in hoger beroep is dus duidelijk en in verschillende opzichten afgescheiden van de gewone behandeling ter zitting.
De open verlofmaatstaf van de goede rechtsbedeling biedt op het eerste gezicht ruimte voor vrije toegangsbeoordeling. Volgens de wetsgeschiedenis moet de verlofvoorzitter zich evenwel hoofdzakelijk afvragen of het oordeel uit eerste aanleg in hoger beroep waarschijnlijk zal worden vernietigd. Is dat het geval, dan moet verlof worden verleend. Zal het beroep naar het oordeel van de voorzitter niet-ontvankelijk worden verklaard of niet leiden tot verandering van de uitspraak, dan moet verlof in beginsel worden geweigerd. Daarnaast bestaat voor de voorzitter de ruimte om op grond van overige kenmerken van de zaak verlof te verlenen, bijvoorbeeld als de zaak bijzondere aandacht van de media heeft gekregen. Gelet op de wetgeschiedenis geeft het verlofstelsel in hoger beroep bij nadere beschouwing alleen ruimte voor (beperkte) inhoudelijke toegangsbeoordeling.
Of het verlofstelsel van artikel 410a Sv een vrij dan wel een inhoudelijk verlofstelsel is, lijkt de wetgever – althans de minister – niet duidelijk voor ogen te hebben gehad. Ter toelichting op het verlofstelsel verklaart hij zonder meer dat de verlofbeoordeling niet een oordeel ten gronde inhoudt, zelfs niet een voorlopig oordeel over de juistheid van het vonnis uit eerste aanleg.1 Met die laatste kwalificatie geeft de minister echter juist een trefzekere samenvatting van wat de grote hoeveelheid voorbeelden uit de memorie van toelichting laat zien, namelijk dat in een vereenvoudigde, afgescheiden procedure moet worden getoetst of het vonnis in hoger beroep waarschijnlijk wordt vernietigd of niet. Deze onzekerheid over het karakter van het verlofstelsel in hoger beroep ligt volgens mij aan de basis van verschillende verdragsrechtelijke problemen.
Onder het recht op beroep is het verlofstelsel in hoger beroep problematisch omdat de beoordeling van verlof tot hoger beroep strikt inhoudelijk moet zijn. Volgens artikel 14 lid 5 IVBPR dient verlofbeoordeling in hoger beroep zowel de inhoud als de totstandkoming van de bestreden uitspraak betreffen, en moet deze beoordeling gebaseerd kunnen worden op stukken uit de vorige aanleg, inclusief een vonnis. Mogelijk moet tegen inhoudelijke verlofweigering in hoger beroep zelfs beroep in cassatie openstaan. Op grond van het open wettelijke verlofcriterium van artikel 410a Sv en de doorgaans door de verlofrechter gegeven standaardmotivering wordt evenwel uit verlofbeschikkingen in beginsel niet duidelijk dat de verlofbeoordeling inhoudelijk van aard is geweest. Aanvullende motivering kan twijfels hierover wegnemen, maar het verlofcriterium zelf duidt veeleer op vrije toegangsbeoordeling. De oordelen van het CRM in de zaken Mennen/Nederland en Timmer/ Nederland betreffen zo bezien waarschijnlijk geen uitzonderlijke gevallen, maar raken de kern van het verlofstelsel van artikel 410a Sv.
Onder het recht op een eerlijk proces is het verlofstelsel van artikel 410a Sv eveneens problematisch. Hoewel het EHRM het aanwezigheidsrecht voor verlofbeoordeling zeer abstract beoordeelt en daarop steevast uitzonderingen toelaat, moet verlofbeoordeling wel voldoende grondig zijn en voorzien zijn van een op de grieven of bijzonderheden van de zaak afgestemde motivering. Dit betreft nogal casuïstische vereisten, maar de zaak Lalmahomed/Nederland laat zien dat het verlofstelsel in hoger beroep in dit opzicht kwetsbaar is. Voorts dient bij eerlijk-procesproblemen in eerste aanleg verlof tot hoger beroep te worden verleend omdat verlofbeoordeling als zodanig dergelijke fouten waarschijnlijk niet kan herstellen.
Kernachtig geformuleerd is het verlofstelsel in hoger beroep vanuit verdragsrechtelijk oogpunt precies verkeerd vormgegeven: summiere procedurele waarborgen zijn gekoppeld aan een waarschijnlijk inhoudelijk bedoeld maar open in de wet geformuleerd verlofcriterium. Wat in hoger beroep juist nodig is, is strikt inhoudelijke verlofbeoordeling met een daarop afgestemde voldoende zorgvuldige en eerlijke procedure. Wat voor deze weeffout de oplossingen zijn, komt in hoofdstuk 8 aan bod.