Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/76
76 Nederlandse rechter is bevoegd in de hoofdzaak op grond van de EEXVo (Ibis)
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458245:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545, NJ 2012, 128 (Roucar/4Stroke), zie m.n. nr. 3.7 van de conclusie van A-G Vlas en nr. 5 en 6 van de noot van M.V. Polak; Van het Kaar 2008, p. 115-116 en 121. In Hof ’s-Hertogenbosch 21 september 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0587, JBPr 2007, 15, m.nt. G.S.C.M. van Roeyen liep het hof maar liefst zeven verschillende artikelen met bevoegdheidsgronden af. Zo oordeelde het hof bijvoorbeeld dat voor zover het voorlopig getuigenverhoor zag op een vordering betreffende de licentieovereenkomst de forumkeuze voor de Luxemburgse rechter op grond van art. 23 EEX-Vo in alle geschillen over de licentieovereenkomst in de weg stond aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Ook op grond van art. 5 lid 3 EEX-Vo, vanwege een vordering tot schadevergoeding door waardevermindering van een belang in een BV, kon geen rechtsmacht worden aangenomen. Zie ook Rb. Rotterdam 1 september 2010, ECLI: NL:RBROT:2010:BN9669; Rb. Amsterdam 9 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1903.
HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545, NJ 2012, 128, m.nt. M.V. Polak (Roucar/4Stroke). In dezelfde zin de conclusie van A-G Vlas, nr. 3.6. Zie ook Van het Kaar 2008, p.101-102. Een hoofdzaak past binnen hetmateriële toepassingsgebied als de zaak een internationaal karakter heeft, een burgerlijke of handelszaak is en niet een in art. 1 EEX-Vo (Ibis) uitgesloten zaak betreft (art. 1 lid 1 EEX-Vo (Ibis)).
Rb. Midden-Nederland 11 september 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4935.
Ik sluit ook niet uit dat de Hoge Raad weliswaar wat ongelukkig heeft geformuleerd, maar niet anders wilde dan duidelijk maken dat in cassatie vaststaat dat het onderliggende geschil een burgerlijke of handelszaak is en derhalve de zaak onder het materiële toepassingsgebied valt.
In r.o. 22 overwoog het HvJ EG: “De rechter die uit hoofde van één van de bevoegdheidsgronden van het Executieverdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen, is dus tevens bevoegd voorlopige of bewarende maatregelen te gelasten, zonder dat deze laatste bevoegdheid afhankelijk is van het vervuld zijn van nadere voorwaarden, zoals die genoemd in de derde vraag van de verwijzende rechter.” HvJ EG 17 november 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD2958, NJ 1999, 339, m.nt. P. Vlas (Van Uden/Deco-Line); A-G Vlas in zijn conclusie voor en M.V. Polak in zijn noot in NJ 2012, 128 onder HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545 (Roucar/4Stroke).
M.V. Polak in zijn noot in NJ 2012, 128 onder HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545 (Roucar/4Stroke).
HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545, NJ 2012, 128, m.nt. M.V. Polak (Roucar/4Stroke); zie voor de uitspraak van het hof: Hof Amsterdam 5 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010: BN3401.
Antonov had volgens het hof slechts een persoonlijke verplichting op zich genomen ten aanzien van de nakoming van de verbintenissen door 4Stroke.
De Hoge Raad behandelde alleen het cassatieberoep tegen Antonov inhoudelijk. Roucar had geen belang bij zijn cassatieberoep tegen 4Stroke, omdat het hof de toewijzende beschikking van de rechtbank had bekrachtigd.
Rb. Midden-Nederland 11 september 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4935.
Rb. Amsterdam 11 september 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0539.
Rb. Rotterdam 27 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD7456.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 februari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BI6343.
De Nederlandse rechter die zijn bevoegdheid in de hoofdzaak kan baseren op een van de bevoegdheidsgronden in art. 4 of 7 tot en met 26 EEX-Vo Ibis (art. 2 of 5 tot en met 24 EEX-Vo), is ook bevoegd om kennis te nemen van een ten behoeve van die hoofdzaak verzocht voorlopig getuigenverhoor.1 In de zaak Roucar/4Stroke2oordeelden hof en Hoge Raad dat het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor valt onder het materiële toepassingsgebied van de EEX-Vo als de hoofdzaak ten behoeve waarvan het voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht binnen de materiële reikwijdte van de EEX-Vo valt.3 De Hoge Raad overwoog:
“Roucar bestrijdt niet dat het bij het onderliggende geschil tussen haar en Antonov gaat om een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 EEX-Vo. Bij dat uitgangspunt heeft het hof – nu hier geen sprake is van een voorlopig getuigenverhoor dat ten doel heeft de aanvrager in staat te stellen te beoordelen of een eventuele vordering opportuun is, de rechtsgrondslag van die vordering te bepalen en de relevantie te beoordelen van de middelen die in dat verband kunnen worden aangevoerd – terecht geoordeeld dat het door Roucar verzochte voorlopig getuigenverhoor binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening valt.”
Mogelijk suggereert de Hoge Raad dat voor de vaststelling of een voorlopig getuigenverhoor valt onder het materiële toepassingsgebied van de EEX-Vo van belang is met welk doel een voorlopig getuigenverhoor wordt gevraagd.4 Irrelevant is echter met welk doel een voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht. Uit het arrest Van Uden/Deco-Line5volgt dat geen beperkingen gelden als de rechter zijn bevoegdheid in de hoofdzaak kan baseren op de EEX-Vo. Polak leidt dit af uit de opbouw en de onderbouwing van het hieronder te bespreken arrest St. Paul Dairy/ Unibel, waaruit blijkt dat het HvJ EG niet uitsluit dat een voorlopig getuigenverhoor onder de materiële reikwijdte van de EEX-Vo valt. Het HvJ EG waarschuwt in die uitspraak met name voor het omzeilen van de gewone bevoegdheidsregels via art. 31 EEX-Vo (art. 35 EEX-Vo Ibis) en daarmee ook de doelstellingen van de EEX-Vo.6 Door het voorlopig getuigenverhoor te koppelen aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van de gewone bevoegdheidsregels van de EEX-Vo (Ibis) hoeft juist geen vrees te bestaan voor het ontduiken van die regels.
In de zaak Roucar/4Stroke7was een overeenkomst gesloten tussen enerzijds het Nederlandse Roucar en anderzijds het Franse bedrijf 4Stroke en zijn in Parijs wonende bestuurder Antonov. In de overeenkomst was een forumkeuzebeding opgenomen, waarin was gekozen voor de rechtbank Utrecht. Het hof oordeelde in hoger beroep dat de rechtbank de vraag naar haar bevoegdheid ten aanzien van het door Roucar ingediende verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor ten onrechte niet had beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de EEX-Vo. Aangezien het uit het verzoek blijkende onderliggende geschil een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 EEX-Vo was, volgde ten aanzien van 4Stroke de bevoegdheid van de rechtbank rechtstreeks uit het forumkeuzebeding. Antonov had zich echter naar het oordeel van het hof niet gebonden aan het forumkeuzebeding, waardoor de bevoegdheid ten aanzien van hem niet op het forumkeuzebeding kon worden gebaseerd.8 Ook op een andere grond, zoals art. 5 lid 1 of 3 EEX-Vo (art. 7 lid 1 of 2 EEX-Vo Ibis), kon geen bevoegdheid worden aangenomen. In cassatie erkende de Hoge Raad dat, nu het onderliggende geschil een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 EEX-Vo was, ook het voorlopig getuigenverhoor viel binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Vo, maar dat in dit geval de bevoegdheid van de rechtbank niet op enige bevoegdheidsgrond van de EEX-Vo kon worden gebaseerd.9
Vergelijkbaar met de bovenstaande zaak was een recente zaak bij de rechtbank Midden-Nederland, waarin een forumkeuze voor de Luxemburgse rechter was gedaan.10 Na een onderzoek op welke geschillen de forumkeuze betrekking had, verklaarde de rechtbank zich onbevoegd voor zover het verzoek zag op feiten die van belang waren voor het onder de forumkeuze vallende geschil.
In een zaak met vier toekomstige gedaagden, waarvan drie in Nederland waren gevestigd en één in het buitenland, baseerde de rechtbank haar bevoegdheid ten aanzien van de buitenlandse vennootschap (zowel internationaal als relatief) op art. 6 lid 1 EEX-Vo (art. 8 lid 1 EEX-Vo Ibis).11 Volgens dit artikel kan een persoon ook worden opgeroepen “indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.12 De rechtbank motiveerde niet waarom de vorderingen in de hoofdzaak aan dit criterium van een nauwe band voldeden.
Te kort door de bocht ging de rechtbank Rotterdam.13 Nogal pragmatisch gaf de rechtbank geen oordeel over de vraag of de EEX-Vo of het EVEX (een Zwitserse partij was betrokken bij deze zaak) van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat zij hoe dan ook bevoegd was, ofwel op grond van een Europese regeling ofwel op grond van art. 3 onder a Rv. De rechtbank meende dat rechtsmacht kon worden gebaseerd op de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo/EVEX (art. 4 EEX-Vo Ibis), omdat de Nederlandse verweerder in een verzoekschriftprocedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden aangemerkt als gedaagde in de zin van dat artikel. Dit oordeel is onjuist. De rechtbank had moeten beoordelen of zij in de eventueel aanhangig te maken hoofdzaak (een vordering op grond van onrechtmatige daad) bevoegd zou zijn.
Ook het hof ’s-Hertogenbosch baseerde zijn bevoegdheid op de rechtsmachtregeling in Rv.14 In deze zaak was in eerste aanleg een voorlopig getuigenverhoor verzocht door een Nederlandse en een Engelse partij tegen een Duitse partij. De Nederlandse partij was van mening dat de forumkeuze voor de Nederlandse rechter in haar algemene voorwaarden van toepassing was en de Duitse partij was van mening dat de forumkeuze voor de Duitse rechter in haar algemene voorwaarden van toepassing was. Het hof meende dat de rechtsmacht beoordeeld diende te worden op grond van art. 3 Rv, tenzij op grond van art. 8 lid 2 Rv de forumkeuze voor de Duitse rechter daaraan in de weg zou staan. Aangezien volgens het hof de algemene voorwaarden van de Duitse partij van toepassing waren, sloot de forumkeuze voor de Duitse rechter de rechtsmacht van de Nederlandse rechter uit. Het hof had in deze zaak – tussen partijen die allen in lidstaten gevestigd waren – behoren te onderzoeken en beoordelen of de Nederlandse rechter op grond van de EEX-Vo bevoegd was om de hoofdzaak te behandelen en beslissen. In het bevestigende geval had het hof het voorlopig getuigenverhoor moeten toewijzen.