Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.3.2
3.3.2 Historische ontwikkeling
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS393518:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk J.H. Christiaanse, De historie van de deelnemingsvrijstelling vennootschapsbelasting in de buitenlandse verhouding in Duitsland, WFR 1962/399.
Körperschaftsteuergesetz 30-03-1920 (R GB1. 1920, 393).
Afgeleid uit Frotscher, Körperschaftsteuer, Gewerbesteuer, 2e Auflage, 2008, Rz. 26.
Körperschaftsteuer, 31-08-1976 (BStB1. I 1976, 445).
Zie voor een toelichting bijvoorbeeld L. Hintzen, Die überraschende Verabschiedung der Körperschaftsteuerreform, MBB 1976/182.
Zie ook A.J. van den Tempel, EG en Duitsland: voorstellen over het stelsel van vennootschapsbelasting, WFR 1974/53.
15 februari 2000, BT-Drs. 14/2683, blz. 132 e.v. Zie ook J. Hey in Tipke/Lang19, Steuerrecht, §11, Rz. 17.
Gesetz 23 oktober 2000, BGBl. I 2000, 3267; BStBl. I 2000, 1428. Zie hieromtrent J. Hey in Tipke/Lang19, Steuerrecht, §11, Rz. 16.
Zie voor Nederlandstalige artikelen over de wetswijzigingen van toentertijd H. Lohuis, Het Duitse holdingregime en zijn eigenaardigheden, WFR 2001/1715, A.J.A. Stevens en A.E.M. de Vries, De Duitse holding: Europameister 2001? Internationaal Belasting Bulltetin, 2000, nr. 5 en E.A. Brood, Wet inkomstenbelasting 2001 / Wet ondernemerspakket 2001 versus “Steuersenkungsgesetz, WFR 2001/546.
Gesetz 20 december 2001, BGBl. I 2001, 3858; BStBl. I 2002, 35
Gesetz 14 August 2007, BGBl. I 2007, 1912.
Voor een historische schets van de Gewerbesteuer verwijs ik naar Lenski en Steinberg, Gewerbesteuergesetz, 2014. Ook A.J.A. Stevens, De Duitse Gewerbesteuer – anomalie in het veelkleurige land van de gemeentelijke belastingen? In: Lofzang op lokale heffingen (Monsma-bundel), SDU Uitgevers (2009) geeft in paragraaf 2.1 een interessante, Nederlandstalige, historische schets van de Gewerbesteuer, evenals Ernst & Young, Studie: Aspecten van de Duitse Gewerbesteuer, blz. 9-15.
De heffing van belastingen naar het inkomen en de winst was tot het einde van de Eerste Wereldoorlog een zaak van de bondstaten. De staten baseerden hun belastingen op het voorbeeld van de inkomstenbelasting 1891 van Pruisen.1 De eerste Körperschaftsteuer als zelfstandige belasting vinden we terug in 1920.2 Tot die tijd werd de winstbelasting op lichamen geregeld in de inkomstenbelasting. Met uitzondering van een periode tussen 1922 en 1925 waarin een begrensd verrekensysteem (Anrechnungsverfahren) in de inkomstenbelasting gold, was het klassieke systeem in Duitsland van toepassing tot 1977.3 Vermeldingswaardig is dat er vanaf 1953 in Duitsland een gesplitst tarief voor de vennootschapsbelasting van toepassing was. Voor niet-uitgedeelde winsten gold een hoger Körperschaftsteuertarief, dan voor wel-uitgedeelde winsten.
Een systematisch wezenlijke verandering kwam in 1977 toen het klassieke systeem werd vervangen door een systeem van volledige integratie (Vollanrechnungsverfahren).4 Dit betekende dat de Körperschaftsteuer daarbij fiscaal behandeld werd als een voorheffing van de Einkommensteuer van de aandeelhouder.5 In beginsel werd er vennootschapsbelasting geheven tegen een tarief van 56%. Bij een uitdeling van de winst werd de belasting verminderd tot 36% van de winst. Het verschil (20%) kwam aan het lichaam toe. De resterende 36% belasting werd verrekend met de inkomstenbelasting van de aandeelhouder (mits deze onbeperkt belastingplichtig was).6
Het verrekenstelsel in Duitsland werd als zeer complex en misbruikgevoelig ervaren en bovenal waren er vele Europeesrechtelijke bedenkingen.7 In 2001 volgde door het Gesetz zur Senkung der Steuersätze und zur Reform der Unternehmensbesteuerung (StSenkG) derhalve de terugkeer naar het klassieke systeem met vermindering van de dubbele belasting door op het niveau van de aandeelhouder de inkomsten uit een lichaam voor een deel in aanmerking te nemen in de inkomstenbelasting (Halbeinkünfteverfahren).8 Er kwam ook een eind aan het in de Körperschaftsteuer gehanteerde gesplitste tarief van toentertijd 40% op gereserveerde winsten en 30% op uitgedeelde winsten. Deze werd vervangen door een vast tarief van 25%.9 In de parlementaire behandeling waren op het laatste moment nog wijzigingen voorgesteld die door middel van een soort van vervolgwet doorgevoerd werden (Gesetz zur Fortentwickelung des Unternehmenssteuerreform (UntStFG)).10 Beide wetten brachten aanzienlijke wijzigingen ten aanzien van de systematiek tussen de Körperschaftsteuer en Einkommensteuer en wijzigingen in de deelnemingsvrijstelling en fiscale eenheid (Organschaft) regels. De historische ontwikkeling van de relatie tussen de Körperschaftsteuer en Einkommensteuer wordt verder nader besproken in hoofdstuk 3.3.4.
In 2008 vond de laatste grote herziening in de Duitse vennootschapsbelasting plaats (Unternehmerssteuerreform (UntStRefG)).11 Enkele argumenten die de Duitse regering geeft voor de herziening zijn vergelijkbaar met die van Nederland in 2007 bij de Wet werken aan winst, namelijk verbetering van de aantrekkelijkheid van Duitsland als economisch vestigingsland door de verlaging van directe belastingen voor ondernemingen, het EU proof maken van de wetgeving, het streven naar rechtsvormneutraliteit, belastingneutraliteit en financieringsneutraliteit van de belastingheffing op ondernemingen en meer zekerheid voor planning voor ondernemingen en ten aanzien van de begroting van de Staat. Na de hervorming bedroeg de gecombineerde belastingdruk waarmee in Duitsland gerekend werd 29,875%, namelijk 15% (Körperschaftsteuer) + 14% (gemiddeld tarief van de Gewerbesteuer) + 5,5% van 15% (Solidaritätszuschlag). Vóór 1 januari 2008 bedroeg het Körperschaftsteuer tarief in Duitsland 25%, het gemiddelde tarief voor de Gewerbesteuer ongeveer 14% en de Solidaritätszuschlag 5,5%. Het gecombineerde tarief waarmee in Duitsland gerekend werd, kwam daarmee uit op gemiddeld 38,6%. Op (het historische verloop van) de relevante wetswijzigingen van de diverse rechtsregels wordt hierna in het onderzoek nader ingegaan als de regels in het desbetreffende hoofdstuk inhoudelijk worden behandeld.
Zoals uit hoofdstuk 3.3.1. is gebleken, heeft een lichaam in Duitsland naast de Körperschaftsteuer te maken met de Gewerbesteuer. De Gewerbesteuer vormt voor gemeenten de belangrijkste inkomstenbron. De (voorlopers van de) Gewerbesteuer kent een rijke historie die zelfs teruggaat tot in de middeleeuwen.12 In het Gewerbesteuergesetz van 1936 is de directe voorganger te vinden van de huidige Gewerbesteuer. In 1936 werd de Gewerbesteuer in drie deelbelastingen onderverdeeld, namelijk de Gewerbeertragsteuer (bedrijfswinstbelasting), Lohnsummensteuer (Gewerbesteuer op basis van de loonkosten) en Gewerbekapitalsteuer (bedrijfsvermogensbelasting). Laatstgenoemde belastingen werden in 1979, respectievelijk 1998 afgeschaft en alleen de bedrijfswinstbelasting die Duitsland vandaag de dag ook nog kent bleef over. In 1957 is het recht voor gemeenten om Gewerbesteuer te heffen in de Duitse grondwet verankerd (art. 106 GG). Gemeenten kunnen op grond van deze wet Gewerbesteuer heffen van ondernemingen die in de desbetreffende gemeente zijn gevestigd.