Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/5.3
5.3 Situering platformwerk in Nederland
Paul Schoukens & Saskia Montebovi, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Paul Schoukens & Saskia Montebovi
- JCDI
JCDI:ADS288377:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Klosse & Montebovi 2020.
Schoukens & Montebovi 2019, p. 356.
Een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (meer bepaald de zelfstandigen zonder personeel – zzp’ers) werd in het pensioenakkoord van 2019 afgesproken. Wanneer deze afspraak is uitgewerkt, zal dit ook veranderen.
Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd, 24 december 1986, ook wel Rariteitenbesluit genoemd.
Wetboek van werk 2019, p. 34; Klosse & Montebovi 2020, p. 11.
Van den Berg2019. Zie tevens Vonk 2021, p. 163.
Art. 6 WW/ZW.
Rijksoverheid 2015 <https://www.rijksoverheid.nl/documenten/regelingen/2015/09/30/regeling-dienstverlening-aan-huis>, geraadpleegd op 12 mei 2021; Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 30804.
Ter Weel e.a. 2018 en Ter Weel e.a. 2020, p. 4.
Ministerie van Financiën 2020b, p. 11.
Ministerie van Financiën 2020a, p. 33-34; OESO2019, p. 4; Commissie Regulering van werk 2020, p. 9, 110.
Overgenomen uit Ministerie van Financiën 2020a, p. 34 (IB=Inkomstenbelasting). Zie voor de afbakening werknemers-zelfstandigen ook: Pennings 2018, p. 72 (een werknemer heeft bij eenzelfde beloning als een zzp’er een aanmerkelijk lager netto inkomen).
Waar sommige landen zoals Frankrijk, België of Estland specifieke socialezekerheidswetgeving voor platformwerk(ers) gecreëerd hebben, is dat in Nederland – nog – niet zo. Daarom vallen platformwerkers in Nederland onder de algemene socialezekerheidswetgeving. Dat houdt in dat ze ofwel als werknemer ofwel als zelfstandige verzekerd zijn.1
Voor zelfstandigen in Nederland bieden de volksverzekeringen bescherming tegen een aantal sociale risico’s. Tot die volksverzekeringen behoren de verplichte zorgverzekering (Zvw), de AOW (pensioen eerste pijler), de kinderbijslag (AKW) en eventueel een nabestaandenpensioen (Anw). Als laatste vangnet gelden nog regelingen met een bijstandskarakter: de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Bijstand voor zelfstandigen (Bbz) en tot slot de Participatiewet.
Voor werknemers geldt een uitgebreider socialezekerheidspakket. Zij kunnen namelijk terugvallen op zowel de volksverzekeringen als de werknemersverzekeringen. Deze tweede groep verzekeringen zijn de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA, bij langdurige arbeidsongeschiktheid van minimaal 35%). Bovendien kunnen werknemers op grond van hun individuele of collectieve arbeidsovereenkomst ook rekenen op extra bescherming zoals de loondoorbetaling bij ziekte door de werkgever (art. 7:629 BW), bedrijfspensioenen (pensioen tweede pijler) en eventuele WIA-aanvullingen.2 Ook werknemers kunnen op een minimumuitkering terugvallen, als laatste vangnet. Dat zijn de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW), de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze werknemers (IOAW) en de bijstand (Participatiewet).
In de gevallen dat platformwerkers in Nederland als zelfstandigen worden gekwalificeerd, hebben zij omwille van het universele karakter van de volksverzekeringen in ieder geval altijd een basisbescherming tegen ziektekosten (Zvw) en ouderdom (AOW). Zij hebben dan vaak ook nog fiscale voordelen en worden geacht een deel van hun inkomsten te gebruiken voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering of extra pensioen. Arbeidsgerelateerde risico’s zoals ziekte, kort- of langdurend, en werkloosheid worden (nog) niet publiekrechtelijk geregeld voor de platform-zzp’ers.3
Naast de categorieën werknemers en zelfstandigen, kent het Nederlandse stelsel ook een categorie ‘gelijkgestelden’ die bepaalde werkenden gelijkstelt met werknemers omdat zij in een sociaaleconomisch vergelijkbare positie verkeren. Onder voorwaarden kunnen zelfstandigen (zzp’ers) zo op basis van een fictieve dienstbetrekking toegelaten worden tot de werknemersverzekeringen.4 De fictieve dienstbetrekking is verder uitgewerkt in het Rariteitenbesluit.5
Onder de groep gelijkgestelden, die dus via een uitbreiding van het werknemersbegrip ook tot de personele werkingssfeer van de werknemersverzekeringen behoren, valt een hele gevarieerde groep werkenden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om handelsagenten, musici, artiesten en beroepssporters, personen die tegen beloning persoonlijke arbeid verrichten (en niet vallen onder de gewone werknemersbepalingen van art. 3 en 4 WW/ZW), alsook thuiswerkers onder bepaalde voorwaarden. Bovendien bestaat voor de meesten van hen (maar bijvoorbeeld niet voor de thuiswerker, zie art. 2 Rariteitenbesluit) ook nog de optie om met hun opdrachtgever de fictieve dienstbetrekking contractueel uit te sluiten. Dit alles maakt de fictieve dienstbetrekking geen eenvoudige rechtsfiguur voor de kwalificatie van sommige arbeidsrelaties en ook niet voor de rechtszekerheid ten aanzien van de werknemersverzekeringen.6
De vraag is echter of dit bijzondere Rariteitenbesluit misschien wel voor platformwerkers een uitweg biedt tot extra bescherming van de werknemersverzekeringen. Die exercitie is eerder gedaan en richtte zich op een grondige analyse van art. 3 Rariteitenbesluit, ook wel de tussenkomstbepaling genoemd.7 De conclusie was dat voor on demand-platformwerkers die persoonlijke arbeid verrichten voor een derde met tussenkomst van een platform – en niet in de zelfstandige uitoefening van een beroep of bedrijf – deze tussenkomstbepaling ertoe zou kunnen leiden dat platformwerkers inderdaad als werknemers gekwalificeerd worden. Toch zit er ook een onzekere kant aan deze kwalificatie op basis van art. 3: de kwalificatie geldt niet voor alle platformwerkers en niet in alle situaties. Daarmee biedt dit mogelijke aanknopingspunt van het Rariteitenbesluit onvoldoende zekerheid (vooraf) en zeker geen algemeen geldende conclusie tot een gelijkstelling van platformwerkers aan werknemers met een bijhorend uitgebreid socialezekerheidspakket.
Naast de gelijkgestelden zijn bepaalde werknemers juist uitgesloten van de werknemersverzekeringen.8 Het gaat daarbij om politieke ambtsdragers, vrijwillige brandweerlieden of politieagenten, maar ook om personen die in de privéhuishouding van een ander werken voor maximaal drie dagen per week (schoonmaak, tuin, oppas, boodschappen). De rechtspositie van deze laatste groep wordt door de regeling Dienstverlening aan Huis verder ingekaderd.9
Een goed beeld van de daadwerkelijke omvang en verwachte groei van de platformeconomie ontbreekt nog. Enkele cijfers zijn er wel: SEO, bijvoorbeeld, deed in Nederland een 0-meting in 2017 (0,4% van de beroepsbevolking was kluswerker) en een 1-meting in 2019 (0,9% van de beroepsbevolking was op dat moment actief als klusser, en 0,8% was actief geweest als kluswerker), maar noteert daarbij zelf ook de beperkingen van het onderzoek (kleine groep respondenten, niet representatief, enkel bepaalde beroepsgroepen).10 Feit is dat het gebruik van platforms toeneemt en bijgevolg ook de inkomsten via deze platforms verkregen.
Dat die inkomsten vervolgens moeten (zouden) worden belast, is de grote uitdaging van dit moment (zie ook onder paragraaf 5.2). Het gaat dus om de inkomensheffing bij particulieren en ondernemers (samen de platformgebruikers) voor hun inkomsten behaald via de digitale platforms.11 Daarnaast speelt specifiek voor Nederland ook de uitdaging – al veel langer – van de verschillende fiscale behandeling en sociale bescherming van werknemers en zelfstandigen (zzp’ers), waardoor de segmentatie van de Nederlandse arbeidsmarkt steeds verder toeneemt en een point of no return nadert, omdat steeds meer werkenden zich buiten het socialezekerheidsstelsel begeven en daardoor de draagkracht van het sociale stelsel aantasten en ondermijnen.12
Onderstaande figuur illustreert en bevestigt de grote verschillen in arbeidskosten voor werknemers en zelfstandigen (IB-ondernemers) in Nederland, waardoor het voor opdrachtgevers en zelfstandigen vaak financieel interessant is om het werknemerschap te mijden.13