Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/5.2
5.2 Situering platformwerk als uitdaging voor de sociale zekerheid
Paul Schoukens & Saskia Montebovi, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Paul Schoukens & Saskia Montebovi
- JCDI
JCDI:ADS288494:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoeriger over de sociale bescherming van zelfstandigen: Schoukens 2019b; Barrio & Schoukens 2019, p. 47-58; Schoukens 2021.
Zie de nationale rapporten verwerkt in Becker & Chesalina 2021.
Voor zelfstandigen, zie b.v. Barrio & Schoukens 2019, p. 58.
Zie voor een overzicht, in het bijzonder in de bijlage: Schoukens 2020b.
Zie de nationale rapporten, verwerkt in Becker & Chesalina 2021.
O.a. Commissie Regulering van werk 2020, Ter Weel e.a. 2019, WRR 2020, p. 91, Wetboek van werk 2019, p. 8, en zie ook het slot van paragraaf 5.4.2 in dit hoofdstuk.
Zoals in het arbeidsrecht, is de kwalificatie van de beroepsactiviteiten van de platformwerker van belang voor de toepassing van het socialezekerheidsrecht. In tegenstelling tot het arbeidsrecht, waar de bescherming grotendeels voorbehouden is aan de groep van werknemers, genieten zelfstandigen, en dus ook in afgeleide orde zelfstandige platformwerkers, wel van enige socialezekerheidsbescherming (met name voor de risico’s van gezondheidszorg, zorg, gezinslast, ouderdom en overlijden). Toch is in vergelijking met de werknemers, de omvang van de socialezekerheidsdekking doorgaans beperkter gehouden. Risico’s die betrekking hebben op arbeidsongeschiktheid, arbeidsongevallen en werkloosheid zijn niet altijd gedekt of zijn, in vergelijking met werknemers, beperkt tot een basisdekking. Bovendien is sociale verzekering niet (altijd) verplicht gesteld; het staat de zelfstandige platformwerker vrij zich al dan niet te verzekeren (opt-in of opt-out).1 Kortom, hoewel de rechtsgevolgen minder vergaand zijn dan in het arbeidsrecht, is de kwalificatie van de beroepsactiviteit voor het socialezekerheidsrecht eveneens van belang. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat platforms doorgaans liever ‘zelfstandige’ werkers contracteren. De sterk oprukkende platformeconomie werkt de trend van verzelfstandiging van werk in de hand; de beperkte rechtspraak die systematisch overgaat tot (her)kwalificatie van platformactiviteiten tot werknemersactiviteiten verandert hier voorlopig nog niet veel aan.2
Verder zijn er de nodige problemen bij de toepassing van het socialezekerheidsrecht op platformwerkers, ongeacht of men als zelfstandige dan wel als werknemer verzekerd is. De platformwerker laat zich moeilijk integreren in de bestaande stelsels; de zeer flexibele werkorganisatie is hier niet vreemd aan. Bestaande toepassingsproblemen die men ervaart bij zelfstandigen of werknemers in het algemeen, worden doorgaans uitvergroot in het geval van de platformwerker.3 Ze komen verder nog uitvoeriger aan bod in de bijdrage (zie financiering en uitkeringen). Hier kan al vermeld worden dat het ontbreken van een vaste arbeidsrelatie met één werkgever tot de nodige toepassingsproblemen leidt in zowel de financiering (premieheffing) als bij de toekenning van uitkeringen. Wie kan men uiteindelijk als werkgever van de platformwerker beschouwen? Ook de verloning van de kleine taken (‘gigs’) vormt geregeld een uitdaging voor de bepaling van het bijdragevatbare loon. Opereert de platformwerker als zelfstandige, dan ontstaan er geregeld problemen bij het declareren van het premieplichtige inkomen (onderwaardering en/of onregelmatig verloop van inkomsten).
Verder ondervinden platformwerkers, ongeacht het statuut waarin ze werkzaam zijn, de nodige problemen met een effectieve toegang tot socialezekerheidsuitkeringen. Minimumdrempels inzake inkomen en/of arbeidsduur zijn hier schuldig aan (zie verder onder financiering en uitkeringen). Deze drempels nemen toe in de stelsels; ze herleiden beroepsactiviteiten van minimale omvang tot zogenoemde ‘marginale activiteiten’. Men spreekt ook van ‘kleinverdieners’, ‘mini-jobs’ of, als de dekking iets ruimer mag, van ‘midi-jobs’. Toepassing en modaliteiten verschillen wel tussen de landen,4 maar ze hebben één ding gemeen: de activiteit moet van voldoende omvang zijn om in aanmerking te worden genomen voor het socialezekerheidsrecht. Zo niet, dan blijft de platformwerker voor diens bescherming afhankelijk van de werking van sociale bijstand en/of universele regelingen.
Landen die een eigen socialezekerheidsregeling voor platformarbeid invoeren in het socialezekerheidsrecht zijn nog beperkt in aantal.5 België voerde een bijzondere platformregeling: ze stelt de werker vrij van bijdragebetaling, maar ook van sociale bescherming als het jaarinkomen beperkt blijft. Verder moet de activiteit verricht worden voor een zogenoemd erkend platform. Het platform dient zich vooraf te registreren om erkend te worden voor de toepassing van de vrijstellingsregeling: in ‘ruil’ voor de vrijstelling worden immers betalingsgegevens overgemaakt aan fiscale en sociale administraties, dit met het oog op uitvoering en handhaving. Frankrijk van zijn kant voerde dan weer een premieheffing in voor de verhuur van particulier onroerend goed dat aangeboden wordt via platforms; mede hierdoor wordt de definitie van inkomsten uit beroepsactiviteiten alvast verruimd tot huurinkomsten. In Estland is een vereenvoudigde aangifte van inkomsten en een bevrijdende betaling van belasting en socialezekerheidspremies ingevoerd voor zogenoemde ‘kleine zelfstandigen’ en freelancers (waaronder vele platformwerkers). ‘Kleine zelfstandigen’ voelen zich immers ‘niet geroepen’ om belasting of bijdrage te betalen, gelet op de zware fiscale en boekhoudkundige procedures die hiermee gepaard gaan. Hun zelfstandige zaak heeft doorgaans ook maar een beperkte kostenstructuur; een belasting- of premieaangifte met het oog op aftrek van kosten spreekt hen dan ook minder aan. Om deze werkers uit het grijze circuit te houden, heeft men een laagdrempelige aangifte ingevoerd die via de bank verloopt. De bankinstelling – hiertoe gemachtigd door de fiscale administratie – houdt onmiddellijk een bijdrage in op elke betaling die binnenkomt op de bedrijfsrekening van de zelfstandige en stort deze door aan de administratie. De bronheffing werkt bevrijdend; van de zelfstandige wordt verder geen bijdrage verwacht.
Platformwerkers ondervinden ten slotte ook de nodige problemen wanneer ze verschillende activiteiten combineren. Door de gigs die ze verrichten, zijn platformwerkers in staat om, haast eindeloos, kleine activiteiten te combineren. Dit zal noodgedwongen leiden tot een samenloop van sociale verzekeringen indien er per type van beroepsactiviteit een eigen stelsel werd ingericht. Meer dan ooit zullen personen (deels) verzekerd zijn in verschillende stelsels. Zo kan men tegelijk of achtereenvolgens werknemer, zelfstandige, gig worker of platformwerker zijn. Er dreigt dan ook een gevaar van opgedeelde loopbanen die elk op zich te beperkt zijn om tot een volwaardige dekking te komen. Indien deze opgedeelde loopbanen niet of onvoldoende (intern in de stelsels) gecoördineerd worden, dreigt de verzekerde met (bijna) lege handen te staan. Er zal daarom ook de nodige inspanning gedaan moeten worden om coördinatiebruggetjes te maken tussen de bestaande sociale verzekeringen.
Een alternatief is om, zoals in de noordelijke landen, te komen tot een algemene arbeidsverzekering waar alle beroepsactiviteiten op een passende wijze worden ondergebracht. Zo kunnen we vaststellen dat alsmaar meer landen hun beroepsregelingen transversaal open stellen voor de verschillende typen van beroepsactiviteiten. Hoe klein ook de verdiensten van bepaalde (bij)activiteiten uitvallen, ze worden allemaal opgenomen in een gemeenschappelijk stelsel en kunnen op geaggregeerde basis opgebouwd worden tot een volwaardige sociale verzekering. Ook de roep in Nederland om voornamelijk op basis van arbeidsvormneutrale sociale zekerheid te werken, kan hieronder worden begrepen.6