Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/1.4
1.4 Verantwoording en afbakening
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487378:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Een mooi voorbeeld biedt de OK-beschikking in de zaak Zandbergen (OK 25 februari 1993, NJ 1994, 546; JAR 1993/61 en ROR 1993, nr. 18). De vereniging Zandbergen houdt een instelling voor jeugdhulpverlening in stand waar een ondernemingsraad is ingesteld. Met de vereniging zijn twee stichtingen verbonden waarin zij een aanzienlijk deel van haar vermogen heeft ondergebracht. Dat vermogen wordt in overwegende mate aangewend voor de activiteiten van de vereniging. De bestuursleden van beide stichtingen worden benoemd op bindende voordracht van het bestuur van de vereniging. De stelling van de vereniging dat haar ondernemingsraad niets van doen heeft met een uitbreiding van de doelstelling van de stichtingen, wordt door de Ondernemingskamer verworpen. Voor toepassing van de WOR zijn de vereniging en beide stichtingen te beschouwen als één onderneming.
Ik heb mijn onderzoek gericht op de directe medezeggenschap door de ondernemingsraad, dat wil zeggen op die vorm van medezeggenschap waarbij werknemers, vertegenwoordigd door de ondernemingsraad, zich rechtstreeks over beleid en besluiten kunnen uitspreken. De indirecte, vennootschappelijke medezeggenschap door middel van beïnvloeding van de samenstelling van organen, maar ook de directe medezeggenschap door vakverenigingen op grond van de SER Fusiegedragsregels, laat ik buiten beschouwing. Daarbij heb ik mijzelf enige beperkingen opgelegd. Allereerst zijn slechts wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak onderwerp van onderzoek geweest. Ik heb afgezien van het uitvoeren van empirisch onderzoek. De spanning tussen medezeggenschaps- en ondernemingsrecht zie ik toch vooral als een spanning met een dogmatisch karakter, die zich reeds uit zijn aard moeilijk voor empirisch onderzoek leent. Wel is, bijvoorbeeld waar het de toegevoegde waarde van medezeggenschap betreft, op een enkel onderdeel een beroep gedaan op de uitkomsten van empirisch onderzoek van derden. Mijn onderzoek heeft geen rechtsvergelijkende component. Het onderwerp van mijn studie is beperkt tot de specifieke spanning tussen het Nederlandse medezeggenschaps- en het Nederlandse vennootschaps- en effectenrechtrecht. Daarmee is een tweede beperking gegeven. Een derde beperking is hierin gelegen dat de bepalingen inzake medezeggenschap van werknemers met betrekking tot de Europese Vennootschap (SE), de Europese Coöperatieve Vennootschap (SEC) en de Europese Besloten Vennootschap (SPE ) buiten beschouwing zijn gelaten, omdat ze niet van toepassing zijn op de WOR-ondernemer die in deze studie centraal staat, namelijk de Nederlandse naamloze en besloten vennootschappen. Hoewel een belangrijk deel van de ondernemingen in Nederland in stand wordt gehouden door stichtingen en (coöperatieve) verenigingen en hoewel een deel van de door mij gesignaleerde spanning ook bij die rechtspersonen opgeld doet,1 heb ik mijn analyse van de spanning tussen de Wet op de ondernemingsraden en het ondernemingsrecht beperkt tot de naamloze en de besloten vennootschap. De belangrijkste reden voor het aanbrengen van deze (vierde) beperking is dat vennootschappen, méér dan verenigingen en stichtingen, doorgaans deel uitmaken van een groter geheel van rechtspersonen. Een dergelijk geheel brengt een specifieke dynamiek met zich mee. Dit zal onder meer blijken indien het gaat over toerekening van besluiten die in concernverband worden genomen.