Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/1.2:1.2 Kader
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/1.2
1.2 Kader
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS486207:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Is de ondernemer een naamloze of besloten vennootschap, dan zal in veel gevallen sprake zijn van een samenstel van vennootschappen en andere rechtspersonen.
Zie reeds de rol van de raad van commissarissen, toch een orgaan van de vennootschap, met betrekking tot besluiten die de onderneming kunnen raken (art. 2:164.274 BW).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het hedendaagse economische en maatschappelijke verkeer worden ondernemingen met meer dan 50 werknemers vrijwel altijd gedreven in de vorm van een rechtspersoon.1 De structuur van de onderneming wordt dan ook mede bepaald door die van de rechtspersoon die haar in stand houdt.2 Besluitvorming die formeel in de sfeer van die rechtspersoon plaats vindt, kan men materieel niet los zien van de door haar in stand gehouden onderneming. De Wet op de ondernemingsraden geeft er in de definitie in artikel 1 blijk van dat de ondernemer een rechtspersoon kan zijn. De nadere invulling en uitwerking daarvan is echter summier en deels onvolkomen. Een voorbeeld hiervan biedt de regeling in art. 24 lid 2 WOR inzake de aanwezigheid bij overlegvergaderingen van personen die deel uitmaken van de vennootschappelijke structuur. Wordt de onderneming in stand gehouden door een naamloze of besloten vennootschap waar een raad van commissarissen is ingesteld, dan zijn zij aanwezig of vertegenwoordigd bij bepaalde overlegvergaderingen. Wordt tenminste de helft van de aandelen in de vennootschap gehouden door een andere vennootschap, dan rust die verschijningsplicht op de bestuurders van die andere vennootschap. Het valt op dat de regeling de meest betrokken vennootschappelijke functionarissen, nl. de bestuurders van de vennootschap die de onderneming in stand houdt, niet noemt. Hier lijkt sprake van een onvolkomenheid.
Een ander voorbeeld betreft art. 25 lid 1 en onder e WOR, dat bepaalt dat de ondernemingsraad in de gelegenheid gesteld dient te worden advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot wijziging van de verdeling van de bevoegdheden ‘binnen de onderneming’. Nu doet zich de situatie voor van een onderneming die in stand wordt gehouden door een naamloze of besloten vennootschap, waarvan de algemene vergadering van aandeelhouders besluit een raad van commissarissen in te stellen die zijn goedkeuring zal hebben te hechten aan een aantal besluiten van het bestuur van de vennootschap. Wel beschouwd is er geen sprake van een wijziging van de verdeling van de bevoegdheden in de onderneming, maar van een wijziging van de verdeling van de bevoegdheden in de vennootschap. Betekent dit nu dat de ondernemingsraad niet om advies gevraagd hoeft te worden met betrekking tot het besluit de statuten te wijzigen? En, meer algemeen gesproken over de raad van commissarissen, hoe moet worden omgegaan met een verzoek van de ondernemingsraad het functioneren van de raad van commissarissen te bespreken in de overlegvergadering? Art. 23 lid 2 WOR bepaalt immers dat daarin (slechts) aangelegenheden ‘de onderneming betreffende’ aan de orde gesteld kunnen worden. Kan de ondernemer het verzoek van de ondernemingsraad negeren, nu de raad van commissarissen een orgaan is van de vennootschap, dus van ondernemer, en niet van de onderneming?
Uit de art. 3 lid 2 en 33 lid 3 WOR spreekt dat de ondernemer deel kan uitmaken van een groter verband van ondernemers, een groep, in het dagelijkse spraakgebruik ook wel aangeduid als een concern. In de belangrijkste bepalingen inzake de besluitvorming wordt evenwel geheel geabstraheerd van het bestaan van groepsverbondenheid. Zo bepaalt art. 25 WOR slechts dat de ondernemer verplicht is de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over een aantal ‘door hem’ te nemen besluiten. Denkbaar is dat die besluiten, door de concernstructuur waarin de ondernemer is ingebed, feitelijk niet door de ondernemer maar door de concernleiding worden genomen. Heeft het feit dat naar de letter van art. 25 lid 1 WOR geen sprake is van een besluit van de ondernemer nu tot gevolg dat de ondernemingsraad niet de gelegenheid geboden hoeft te worden een advies uit te brengen met betrekking tot een dergelijk besluit?
Een voorbeeld van geheel andere aard betreft het openbaar bod op de aandelen van een beursgenoteerde (naamloze) vennootschap. Kunnen we, indien het bod slaagt, spreken van overdracht van de zeggenschap in de zin van art. 25 lid 1 en onder a WOR? Is het bestuur van de vennootschap bij de voorbereiding van het bod betrokken, dan zou dat kunnen betekenen dat de ondernemer een art. 25 WOR besluit in voorbereiding heeft. In dat geval zal hij de ondernemingsraad daar in een vroegtijdig stadium van in kennis moeten stellen (art. 24 lid 1 WOR). De ondernemer zal zich op datzelfde moment echter de vraag moeten stellen of het doen van dergelijke mededelingen zich verdraagt met verplichtingen uit hoofde van de toepasselijke effectenregelgeving, bijvoorbeeld als het er om gaat vertrouwelijkheid van koersgevoelige informatie te waarborgen.