Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.6.2
9.6.2 Partij-autonomie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581176:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Snijders 2007a, p. 82; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 42; Bos 1999, p. 137.
Zie hierover uitgebreid Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 42; Hugenholtz/Heemskerk 2006, nr. 5. Zie ook Chorus 1987; Bosch-Boesjes 1991.
Asser, Groen & Vranken 2003, p. 63 e.v.; Hugenholtz/Heemskerk beschouwt de partijautonomie juist als een fundamenteel hoofdbeginsel. Hugenholtz/Heemskerk 2006, nr. 5.
Zie bijvoorbeeld Snijders 2004, p. 9-24; Ingelse 2004, p. 43-67.
Zie ook Wesseling-van Gent 2003, p. 18-19. Wesseling-van Gent beschouwt de partijautonomie als 'niet meer dan een kenmerk'.
Asser, Groen & Vranken 2006, p. 49 e.v.
Vgl. Snijders 2007a, p. 82.
Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, p. 79.
Part. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, p. 84.
Zie HR 2 mei 1997, NJ 1998, 315 m.nt. WMK(HoogenboomNan Seggelen).
HR 16 november 1990, NJ 1992, 84 m.nt. HJS (N./B.).
Bos 1999, p. 138.
Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 42.
Wat zijn de mogelijkheden voor de nationale rechter om de feiten die relevant zijn voor de juiste toepassing van het mededingingsrecht boven tafel te krijgen? Bij het beantwoorden van deze vraag kan niet voorbij gegaan worden aan het beginsel van de partij-autonomie, dat de rechter tot een zekere lijdelijkheid noopt. Het beginsel van de partij-autonomie en het lijdelijkheidsbeginsel hangen dan ook nauw met elkaar samen en zijn in zekere zin twee kanten van dezelfde medaille.1 Partijen bepalen in beginsel of er geprocedeerd wordt, tegen wie er geprocedeerd wordt en waarover geprocedeerd wordt.2 In de fundamentele herbezinning over ons burgerlijk procesrecht is wel gepleit voor uitbanning van het beginsel der partij-autonomie.3 Dit pleidooi heeft veel kritiek ondervonden.4 In het eindrapport blijven de herbezinners verdedigen dat het te ver gaat om te spreken van een beginsel van de partijautonomie.5 Wel wordt toegegeven dat het in beginsel partijen zelf zijn die de grondslag van het proces bepalen en de feitelijke gegevens verschaffen.6 Deze laatste punten vormen nu juist de kern van het beginsel van de partijautonomie.7 De rechter is bij zijn onderzoek ex artikel 24 Rv gebonden aan de grondslag van de vordering of het verzoek en verweer zoals door partijen naar voren gebracht. Hij moet zich houden aan de constellatie van feiten zoals door partijen aan hem voorgelegd. Uit artikel 149 lid 1 Rv vloeit ook voort dat de rechter in beginsel slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, die overeenkomstig de voorschriften van het wettelijk bewijsrecht zijn bewezen.8Een uitzondering wordt gemaakt voor niet-betwiste feiten (artikel 149 lid 1 Rv), feiten van algemene bekendheid (artikel 149 lid 2 Rv) en algemene ervaringsregels (artikel 149 lid 2 Rv). Tevens vloeit uit artikel 149 Rv voort dat de rechter ook geen feiten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen uit een ander procesdossier (á dan niet dezelfde procespartijen betreffende), welke niet door een van de partijen in het betreffende geding zijn aangevoerd.9
Belangrijker nog voor mededingingszaken, waar vaak in eerste instantie een kort geding wordt gevoerd ter verkrijging van een verbod of gebod, is het feit dat dit ook geld voor feiten uit een aan de bodemprocedure voorafgaand gevoerd kort geding. Het kort geding behoort immers niet tot 'het geding' als bedoeld in artikel 149 Rv.10 Dit laatste geldt echter niet voor de voorlopige voorziening binnen het kader van de aanhangige bodemprocedure ex artikel 223 Rv. Deze vormt namelijk samen met het hoofdgeding wel 'het geding' als bedoeld in artikel 149 Rv.11
De feiten worden niet alleen gesteld bij de conclusie van eis en antwoord, maar kunnen ook blijken uit een comparitie van partijen, een getuigenbewijs of uit een deskundigenbericht.12 Snijders, Klaassen & Meijer wijzen dan ook terecht op het feit dat de lijdelijkheid van de rechter niet inhoudt dat de rechter passief is. Ter illustratie wijzen zij onder andere op het feit dat de rechter desgewenst ambthalve persoonlijke verschijning van partijen kan gelasten (artikelen 87-89, 191, 279 en 284 lid 1 Rv), vragen kan stellen en overlegging van stukken kan vorderen (artikelen 22, 88, 89, 162 en 284 lid 1 Rv), een getuigenverhoor kan bepalen en getuigen kan horen (artikelen 163 e.v. en 284 Rv), een deskundigenbericht kan gelasten en deskundigen kan benoemen (artikelen 194 e.v. en 284 lid 1 Rv).13