Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.4
4.7.4 Het wettelijke systeem: alleen eigendomsverkrijging op basis van de wet
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644808:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 639 OBW: “Eigendom van zaken kan op geene andere wijze worden verkregen, dan door toeëigening, door natrekking, door verjaring, door wettelijke of testamentaire erf-opvolging, en door opdragt of levering, tengevolge van eenen regtstitel van eigendoms-overgang, afkomstig van dengenen die geregtigd was over den eigendom te beschikken.” Zie over dit artikel en de daarop geuite kritiek: Hoofdstuk 3, §3.6.1.
O.M., art. 5.1.6., Parl. Gesch. Boek 5, p. 72.
Zie bijvoorbeeld art. 3:80 BW lid 1: “Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen.” Lid 2: “Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2, door splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 en door toepassing van een afwikkelingsinstrument als bedoeld in de artikelen 3A:1, onderdelen a, b, en c, en 3A:77, onderdelen b, c en d, van de Wet op het financieel toezicht.” Lid 3: “Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door onteigening, en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging.” Lid 4: “Men verliest goederen op de voor iedere soort in de wet aangegeven wijzen.”
M.O., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 17. Van der Grinten stelde dat het uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk is om alle wijzen van eigendomsverkrijging en -verlies in de wet op te nemen. “De pretentie dat het recht geen andere wijzen van eigendom, verkrijging en verlies kan kennen dan die de wet noemt, overtrekt m.i. de betekenis van het geschreven recht (WPNR 1973/5240, p. 513).” In het Mondeling Overleg werd naar aanleiding van het artikel van Van der Grinten expliciet vermeld dat een wijze van eigendomsverkrijging ook indirect uit de wet mag worden afgeleid.
Snijders (2002), p. 57; Zie ook: Spath, VrA (2011), p. 41.
Schuijling (2016), p. 111.
HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, m.nt. D.J. Veegens (Quint-Te Poel): “(…) dat echter het Hof (…) een te enge uitlegging heeft gegeven aan de woorden ‘uit de wet’; dat uit deze woorden immers geenszins volgt, dat elke verbintenis rechtstreeks op enig wetsartikel moet steunen, doch daaruit slechts mag worden afgeleid, dat in gevallen die niet bepaaldelijk door de wet zijn geregeld, de oplossing moet worden aanvaard, die in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wèl in de wet geregelde gevallen.” Zie ook: Spath, AA 2004/02, p. 94.
Terwijl in het OBW een opsomming was opgenomen van alle mogelijke wijzen van eigendomsverkrijging,1 heeft Meijers in zijn Ontwerp ervoor gekozen om dit niet te doen. Hij volstond met de verwijzing dat het verkrijgen van de eigendom op de wet moet steunen. Het Nederlandse wettelijke systeem kent een gesloten stelsel van wijzen van eigendomsverkrijging (en -verlies). Het Ontwerp-Meijers kende een artikel dat luidde:
“Eigendom wordt slechts op de door de wet aangegeven wijzen verkregen”2
In de parlementaire geschiedenis valt te lezen dat bovengenoemde bepaling geheel paste in het wettelijke systeem. Desondanks is zij geschrapt. Als reden daarvoor werd gegeven dat een speciale bepaling over de wijzen van verkrijging van eigendom overbodig werd geacht. In Boek drie was bovendien een algemene titel gewijd aan de verkrijging en het verlies van (de eigendom van) goederen.3
Wat betreft de afscheiding kent de wet geen algemeen artikel over afscheiding (en splitsing), terwijl deze (de afscheiding) wel een wijze van eigendomsverkrijging is. Op welke wettelijke basis wordt de eigendom verkregen?
Allereerst dient te worden vermeld dat de wettelijke grondslag voor de wijzen van eigendomsverkrijging (en -verlies) niet rechtstreeks uit de wet hoeft te blijken, maar dat deze ook indirect uit de wet mag worden afgeleid.4 Vandaar dat Snijders ook spreekt van een “(half) gesloten stelsel”.5 De eigendomsverkrijging door afscheiding valt in deze “indirecte” categorie.6 Wat houdt dit in? Om na te gaan op welke (indirecte) wettelijke grondslag de wijze van eigendomsverkrijging bij afscheiding rust, moet zo dicht mogelijk worden aangesloten bij bestaande wel in de wet geregelde rechtsfiguren.7 Daarnaast moeten de algemene regels over zaken en de beginselen van het zakenrecht in acht worden genomen.