Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/2.2.2.1
2.2.2.1 Doel en achtergrond
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS449873:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer & Schreurs (1991), p. 324. Mohr ziet in deze wijziging meer dan een louter terminologische kwestie en meent dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat de vennoten niet alleen aansprakelijk zijn ter zake van geldschulden, maar ‘zelf verbonden’ zijn voor alles waartoe de vennootschap gehouden is. Zie Mohr (1992a), p. 170-171 en Mohr (1992b), p. 61. Het lijkt mij dat een dergelijke verbondenheid niets nieuws is en al onder de vóór 1992 geldende tekst van art. 21WvK moest worden aanvaard. In HR 20 januari 1905, W 8173, heeft de Hoge Raad immers beslist dat de gedragingen van een vennoot van een vennootschap onder firma hem niet slechts aansprakelijk doen zijn als een soort borg voor de schulden van de vennootschap, maar hem tevens tot schuldenaar van de verbintenis zelf bestempelen. Ook vóór 1992 was de tekst van art. 18 WvK, dat bepaalde dat de vennoten van een vennootschap onder firma ‘wegens de verbindtenissen der vennootschap hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk’ zijn, nagenoeg gelijk aan die van art. 21 WvK. Dit laatste artikel bepaalde dat de commanditair die het verbod van art. 20 lid 2 WvK overtreedt ‘wegens alle de schulden en verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk is’. Daarmee moet worden aangenomen dat de commanditair die het bestuursverbod overtreedt ook vóór 1992 verbonden was tot nakoming van de verbintenissen van de vennootschap en niet slechts als een soort borg aansprakelijk was. Overigens is Mohr’s vrees dat met name bij non-concurrentiebedingen waaraan de vennootschap gebonden is de hoofdelijke verbondenheid de hoofdelijk aansprakelijk geworden commanditair voor problemen kan stellen ongegrond, nu volgens de Hoge Raad een verbintenis om niet te doen geen hoofdelijke verbintenis is in de zin van art. 6:6 BW. Zie HR 8 juli 2011, NJ 2011, 308, JOR 2012, 67.
Art. 27 Code de Commerce, waarin het bestuursverbod was opgenomen; zie 2.2.1. hierboven.
Een wettelijk verbod waarvan overtreding zonder gevolgen blijft acht de wetgever niet zinvol. De gevolgen van een overtreding van het bestuursverbod heeft hij opgenomen in art. 21 WvK:
‘De vennoot bij wijze van geldschieting, die bepalingen van het eerste of van het tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle de schulden en verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden.’
Net als art. 20 lid 2 WvK is ook deze bepaling sinds het in werking treden van het Wetboek van Koophandel in 1838 inhoudelijk ongewijzigd gebleven: slechts zijn bij de inwerkingtreding van de Boeken 3, 5 en 6 NBW met ingang van 1 januari 1992 de woorden ‘hoofdelijk verbonden’ in de plaats getreden van de voordien gebezigde woorden ‘hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk’. Daarmee werd geen materiële wijziging beoogd, maar slechts een aanpassing van de terminologie aan die van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.1 Ook deze bepaling vindt zijn oorsprong in het Franse recht, en is een – overigens onvolledige2 vertaling van art. 28 van de Code de Commerce zoals dat destijds luidde:
‘En cas de contravention à la prohibition mentionnée dans l’article précédent,3 l’associé commanditaire est obligé solidairement, avec les associés en nom collectif, pour toutes les dettes et les engagements de la société.’
Hoewel art. 21 WvK in mindere mate aanleiding heeft gegeven tot controverses in de doctrine dan art. 20 lid 2 WvK heeft het toch ook de nodige vragen opgeworpen. Dogmatisch was de belangrijkste kwestie of art. 21 WvK moest worden gezien als een strafsanctie op door de wetgever als afkeurenswaardig beschouwd gedrag of als bescherming van de derde die op enigerlei wijze wordt geraakt door bestuurshandelingen van de commanditair. Daarnaast is in het bijzonder de strengheid van art. 21 WvK in rechtspraak en doctrine aan de orde geweest. Het lijkt zinvol voor een goed begrip van de ontwikkelingen op dit terrein dezelfde onderverdeling in drie perioden te maken als in de vorige paragraaf: ook voor art. 21 WvK geldt dat de jaarvergaderingen van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging van 1882 en 1946 als zinvolle markeringen in de tijd kunnen worden gehanteerd.