25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/13.2.2:13.2.2 Bestuursrechtelijke competentie: niet principieel
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/13.2.2
13.2.2 Bestuursrechtelijke competentie: niet principieel
Documentgegevens:
prof. mr. R. Schlössels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. R. Schlössels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bestaan van de bestuursrechter is geen halszaak. De Nederlandse bestuursrechter heeft weinig tot geen constitutionele dekking. De Grondwet verlangt geen bestuursrechtspraak. Zij opent daartoe slechts een mogelijkheid (artikel 112 lid 2 GW). Ook uit het Unierecht of uit het EVRM kan geen verplichting tot bestuursrechtspraak worden afgeleid. Het instellen van een bestuursrechter is een vrije keuze van de wetgever: één van de domeinen in de gelaagde rechtsorde waar dit nog mogelijk is!
Het bestaan van de bestuursrechter steunt vooral op rechtspolitieke keuzen. Specialisatie is bijvoorbeeld een groot goed, maar uiteindelijk gebonden aan personen. Gespecialiseerde rechters kunnen ook binnen een algemene rechterlijke organisatie hun werk uitstekend doen. De organisatorische keuzen die de wetgever heeft gemaakt zijn bovendien halfslachtig. Ik laat de slepende discussie over de organisatie van de bestuursrechtspraak rusten. Feit is echter dat alleen aan de top van ons stelsel herkenbare instanties fungeren als bestuursrechter. De bestuursrechter in de eerste lijn is minder herkenbaar, maar niet minder belangrijk. Juist op dit niveau zijn er goede mogelijkheden om de discussie over (geïntegreerde) rechtsmacht verder te brengen.
Met de komst van de Algemene wet bestuursrecht werd gelijktijdig de bestuursrechtspraak in eerste aanleg geïntegreerd in de reguliere rechterlijke organisatie. De organisatorische context ondersteunt hierdoor kruisbestuiving, roulatie van rechters en uitwisseling van expertise. Aan de top is integratie door bekende oorzaken echter uitgebleven.
Het bestaan van de bestuursrechter in de eerste lijn is vooral opgehangen aan het procesrecht. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht is namelijk bestuursrechter omdat recht wordt gesproken op grond van het bestuursprocesrecht (artikel 1:4 lid 3 Awb). Leidend is de vraag in welke geschillen de rechtbank moet uitgaan van specifieke procedurele regels. Tot een principiële (constitutionele) onderbouwing van het instituut bestuursrechter als zodanig is de wetgever niet gekomen.