Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.3.3.1
11.3.3.1 Algemeen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500766:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken), § 66.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 71.
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 38.
Zie § 11.3.2.2 hiervoor. Dit los van de andere twee toetsingsfactoren voor schending.
Vgl. de invulling van nemo tenetur door het HvJ in mededingingszaken, die in § 6.4.3 kort ter sprake kwam. Daarin heeft nemo tenetur enkel betrekking op vragen waarvan de beantwoording zou neerkomen op erkenning van de overtreding. Dit sluit niet-bekennende, feitelijke informatie in de toezichtssfeer uit van de werkingssfeer van het zwijgrecht.
Wanneer de verdachte in weerwil van de eventueel op hem uitgeoefende dwang weigert om bewijs tegen zichzelf te verschaffen, dan is de vaststelling of de van hem gevorderde medewerking al dan niet beslissend was voor de uitkomst van de nationale strafprocedure problematisch, want speculatief. Het EHRM lijkt niet erg geneigd te speculeren over de mogelijke betekenis die de gevorderde medewerking, wanneer verleend, voor het bewijs van de criminal charge zou hebben gehad. Zie bijvoorbeeld de zaak J.B. Daarin steunt de schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting onder meer op de overweging van het Hof dat het weliswaar niet aan hem is om te speculeren over de aard van het gevorderde materiaal, maar dat de klager niet kon uitsluiten dat wanneer daaruit zou blijken dat hij niet-gefiscaliseerd inkomen had genoten, hij zou worden vervolgd wegens belastingfraude.1 In gelijke zin Marttinen, waarin het Hof naar deze overwegingen verwijst.2 In Shannon is het Hof minder terughoudend. Het overweegt dat klagers deelname aan het interview met de financieel rechercheurs voorzienbaar tot gevolg had dat hij verplicht zou worden om te verklaren over aangelegenheden die in de strafprocedure opnieuw aan de orde zouden komen.3
Dat het Hof het risico van zelfbelasting al voldoende acht voor de toepasselijkheid c.q. schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, is in zekere zin een noodgreep om de ‘fairness’ van de procedure te handhaven voor het geval de verdachte zijn medewerking weigert. Alleen bij niet-weigering is een toetsing van de eventuele onbetrouwbaarheid van de verleende medewerking en de eventuele aantasting van de procespositie praktisch mogelijk. Blijft de vraag of deze noodgreep werkelijk aansluit op de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Het enkele risico van zelfbelasting tast die grondslagen immers niet aan. Daarvoor is ten minste enige vorm van zelfbelasting vereist (door het afleggen van een verklaring of de afgifte van fysiek bewijs). Dat het enkele risico van zelfbelasting (door de weigerachtige verdachte) volstaat voor schending van art. 6 EVRM, lijkt ook ver af te staan van ’s Hofs opvatting dat eerder sprake is van schending van het zwijgrecht als verklaringen, wanneer afgelegd, beslissend bewijs in een strafzaak vormen (in plaats van steunbewijs).4 Praktisch werkbare oplossingen om de verschillende behandeling van weigerende en meewerkende verdachten meer op elkaar c.q. op de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting af te stemmen, zie ik echter niet. Zo zal een inperking van de ruime notie van zelfbelasting afbreuk kunnen doen aan die grondslagen.5