Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.5.1
4.5.1 Inleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS391750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tussen 1981 en 1989 publiceerden Easterbrook en Fischel gezamenlijk tien wetenschappelijke artikelen in zowel juridische- als ook economische tijdschriften en drie opiniestukken in kranten en tijdschriften. De belangrijkste hiervan waren F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, ‘The Proper Role of a Target’s Management in Responding to a Takeover Offer’, Harvard L.R. 1981, p. 1161-1204, F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, ‘Corporate Control Transactions’, Yale L.J. 1982, p. 698-737, F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, ‘Voting in Corporate Law’, Journal of Law & Economics 1983, p. 395-427, F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, ‘Mandatory Disclosure and the Protection of Investors’, Virginia L.R. 1984, p. 669-715, F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, ‘Limited Liability and the Corporation’, University of Chicago L.R. 1985, p. 89-117 en F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, ‘The Corporate Contract’, Columbia L.R. 1989, p. 1416-1448.
Zie bijvoorbeeld Stout 2012, p. 35, die het boek beschrijft als “an influential primer still in use today.”
Illustratief is M.A. Eisenberg, ‘The Structure of Corporation Law’, Columbia Law Review 1989, p. 1461-1525, in het bijzonder p. 1488-1515 waarin Eisenberg in reactie op eerdere publicaties van Easterbrook en Fischel betoogt waarom regulering van bepaalde aspecten van het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen niet aan de markt overgelaten kan worden, maar dwingendrechtelijk bij wet dient te geschieden.
Zie voor een reprise M. Lipton, ‘Twenty-Five Years After Takeover Bids in the Target’s Boardroom: Old Battles, New Attacks and the Continuing War’, Business Lawyer 2005, p. 1369-1382 met onder meer een verwijzing naar Easterbrook en Fischel als “some ‘efficient markets’ theorists” (p. 1373 en voetnoot 14) en de opmerking “[T]he shareholder as owner, principa-agend model, is a flawed model as applied to the modern public company.” Zie ook M. Lipton & P.K. Rowe, ‘Pills, polls and professors, a reply to professor Gilson, Delaware Journal of Corporate Law 2002, p. 1-55 voor een uiteenzetting dat de jurisprudentie van de Delaware Courts over beschermingsconstructies een afwijzing van de ‘efficient markets theory’ behelsde.
Met de in bovenstaande paragrafen beschreven Efficient Market Hypothesis, market for corporate control en agency theory zijn de belangrijkste bouwstenen voor de ontwikkeling van een law & economics-perspectief binnen het ondernemingsrecht genoemd. Aldus lijkt het raamwerk voor de rechtseconomische benadering van het ondernemingsrecht reeds begin medio jaren ’70 voor handen te zijn geweest. Van onmiddellijke invloed van dit raamwerk in de juridische wetenschap was echter geen sprake. Wetenschappers zoals Fama en Jensen doceerden aan Amerikaanse ‘Business Schools’ en hun werk bleef naar het zich laat aanzien bij vele Amerikaanse rechtswetenschappers lange tijd onbekend. Manne was weliswaar een jurist en gedurende zijn carrière werkzaam bij meerdere Amerikaanse ‘Law Schools’, maar behoorde niet tot de rechtswetenschappelijke gevestigde orde en zijn publicaties trokken in rechtswetenschappelijke kringen relatief weinig aandacht. Zo kon het gebeuren dat de Amerikaanse rechtswetenschappers – de inspanningen van hun collega’s aan economische faculteiten en business schools ten spijt – de reeds gezette stappen naar een geïntegreerde rechtseconomische analyse van het ondernemingsrecht lange tijd links lieten liggen.
In de jaren ’80 en ’90 zou hier verandering in komen. Dit is met name toe te schrijven aan het werk van enkele gezaghebbende rechtswetenschappers wiens insteek het was om het reeds ontwikkelde rechtseconomisch gedachtengoed uit de economische wetenschap verder te ontwikkelen en om deze rechtseconomische benadering te populariseren. Net als bij het ontstaan van de oorspronkelijke law & economics-beweging speelde het Law & Economics-programma van de University of Chicago ook bij de integratie van de economische analyse van het ondernemingsrecht in de Amerikaanse rechtswetenschap een belangrijke rol. Easterbrook en Fischel, beiden alumni van de University of Chicago Law School (en later beiden hoogleraar aan dezelfde instelling), vervulden in dit proces van integratie een sleutelrol. Hun in de inleiding van dit hoofdstuk aangehaalde standaardwerk The Economic Structure of Corporate Law uit 1991 vormde een belangrijke schakel in dit proces. In deze alinea beschrijf ik aan de hand van dit boek hun voornaamste bijdragen aan de rechtseconomische analyse van het ondernemingsrecht.
In een serie artikelen die zij in de loop van de jaren ’80 gezamenlijk publiceerden werkten Easterbrook en Fischel aan de hand van de in de economische wetenschap gegenereerde ideeën en inzichten de rechtseconomische benadering van het ondernemingsrecht uit.1 Zij schreven over uiteenlopende onderwerpen, zoals de toelaatbaarheid van beschermingsmaatregelen bij vijandige overnamebiedingen, de structuur van stemrechten en stemverhoudingen, het verschijnsel van beperkte aansprakelijkheid en het wezen van de onderneming. De inzichten die Easterbrook en Fischel in deze artikelen hadden ontwikkeld werkten zij vervolgens uit tot een overkoepelende en meer toegankelijke – in zekere zin populairwetenschappelijke – verhandeling. Het resultaat, het boek The Economic Structure of Corporate Law, verscheen in 1991. Het boek zou uitgroeien tot het standaardwerk over de rechtseconomische analyse van het ondernemingsrecht.2 Met dit boek kregen de rechtseconomische ideeën van Easterbrook en Fischel ook een breder verspreidingsbereik. De invloed ervan bleef niet beperkt tot Amerikaanse law & economics-wetenschappers, maar breidde zich ook uit tot rechtswetenschappers in andere landen, waaronder Nederland (zie hierna §4.6).
Op deze plaats moet worden opgemerkt dat de rechtseconomische beschouwingen over het ondernemingsrecht van Easterbrook en Fischel indertijd zeker niet door iedereen werden aanvaard. Prominente Amerikaanse rechtsweteschappers zoals Eisenberg3 en praktijkjuristen zoals Lipton4 hebben destijds al de opvattingen van Easterbrook en Fischel in geschrift bestreden. Deze en andere kritiek op het werk van Easterbrook en Fischel lijkt binnen de stroming van law & economics evenwel van geringe invloed te zijn geweest.