Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.2.3.3:4.5.2.3.3 De plaatsbepaling in de wet van beide hoorrechten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.2.3.3
4.5.2.3.3 De plaatsbepaling in de wet van beide hoorrechten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946166:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het verlengde van de terminologie die bij de hoorrechten is gebezigd, moet aandacht uitgaan naar de uiteenlopende plaatsbepaling daarvan in de wet. Beide hoorrechten zijn in Boek II Titel I van het Wetboek van Strafvordering verankerd en de afstand tussen beide bepalingen is gering. Toch verdient opmerking dat art. 165a Sv deel uitmaakt van de vierde afdeling die ziet op aangiften en klachten, terwijl art. 167a is toegevoegd aan de vijfde afdeling met bepalingen die zien op de beslissingen omtrent vervolging. Het is mijns inziens juist dat beide bepalingen hun plaats hebben gevonden in het Wetboek van Strafvordering, omdat het gaat om instructienormen die zijn gericht tot het openbaar ministerie. Dat voornoemde wetsbepalingen deel uitmaken van verschillende afdelingen is verklaarbaar vanwege het al meermaals benoemde verschil dat art. 165a Sv onderdeel is van de regeling van klachtdelicten en art. 167a Sv daarvan losstaat. Daardoor is het aangewezen dat het hoorrecht dat aansluit op de vertegenwoordigingsregeling inzake klachtdelicten geplaatst is bij de andere vormen die in het kader van klachtdelicten moeten worden nageleefd. De verplichting om een minderjarige te horen in relatie tot bepaalde zedenfeiten is beter op haar plaats in de daaropvolgende titel. Het gaat er immers om dat de officier van justitie het standpunt van de minderjarige inwint ten behoeve van de vervolgingsbeslissing die in de betreffende afdeling van het wetboek centraal staat. Aan die verplichting moet het openbaar ministerie ook voldoen indien geen aangifte is gedaan, hetgeen onderstreept dat deze bepaling niet thuishoort in de vierde afdeling betreffende aangiften en klachten.