Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.2.3
4.2.3 Overheidsregulering en marktwerking
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384574:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ibid, p. 18.
Ibid.
Coase voegde hier nog aan toe: “It is my belief that economists, and policy-makers generally, have tended to over-estimate the advantages which come from governmental regulation.”Zie Coase 1960, p. 18.
Ibid, p. 18-19.
Ter onderbouwing kan nog worden gewezen op de volgende opmerking van Coase: “Furthermore, there is no reason to suppose that the restrictive and zoning regulations, made by a falllible administration subject to political pressure and operating without any competitive check, will necessarily always be those which increase the efficicency with which the economic system operates.” Zie Coase 1960, p. 18. Hoewel nog enigszins neutraal gesteld (in het bijzonder vanwege de kwalificatie ‘necessarily’) geven de woordkeuze en de pejoratieve kwalificatie van het overheidsapparaat toch blijk van een zekere (persoonlijke) voorkeur van markt boven overheid.
Harcourt 2011, p. 125.
In dezelfde zin Harcourt 2011, p. 126: “It is important to emphasize that there was absolutely no good reason, nor any need, to introduce this bias here. (…). This was not a situation where Coase could say: ‘I have looked at all the evidence, and I have discovered that regulation is inefficient.’ (…). So this was a situation, instead, where Coase was essentially saying: ‘We need to do a lot more empirical research because we don’t know much about these complex cases, and, by the way, I really favor the free market’.”
Hierover E. Rothschild, ‘Adam Smith and the Invisible Hand’, American Economic Review 1994, p. 319-322. In dit stuk betoogt Rothschild overigens dat Smith het gebruik van de metafoor van de invisible hand ironisch had bedoeld en dat zijn betreffende verhandeling niet als een pleidooi voor ongebreidelde marktwerking moest worden begrepen. In dezelfde zin A. Sen in zijn inleiding in A. Smith, The Theory of Moral Sentiments, London: Penguin Classics 2010 (1e druk 1759). Een lezing van Smith als pleitbezorger voor de vrije markt werd aangehangen door de invloedrijke University of Chicago-econoom Stigler. Zie G.J. Stigler, ‘The Economist and the State’, American Economic Review 1965, p. 1-18. Zie ook Harcourt 2011, p. 109-109 (verwijzend naar Stigler 1965, p. 1-4).
Hierover Harcourt 2011, p. 110-120. Een beknopte inleiding in het utilitarisme geeftM.J. Sandel, Justice: what’s the right thing to do, London: Penguin Books 2009, p. 34-57.
Een invloedrijke voorvechter van de ideeën van Bentham binnen de law & economics- stroming is Posner. Hierover schreef Harcourt: “Bentham’s central contribution, according to Posner, was twofold: he advanced the psychological theory that individuals seek to maximize pleasure or happiness over pain, and he suggested that all men calculate their welfare. This combination of psychological and cognitive insights led to the theory of rational utility maximization, from which the field of economics has drawn.” Zie Harcourt 2011, p. 133.
B. Bix, Jurisprudence: Theory and Context, 3rd edition, Durham (N.C.): Carolina Academic Press 2004, p. 192.
Harcourt 2011, p. 146-147: “What is so remarkable about the Coase Theorem is that it renders scientific and thereby seemingly unimpeachable the basic idea of natural order. This step is, indeed, brilliant. A crowning achievement. It took two hundred years to transform a quasi-religious conception of natural order into a scientific theory of market efficiency.”
Hayek 1944, p. 45-58.
Coase 1960, p. 2 noot 3 (verwijzing naar G.J. Stigler).
Ibid, p. 43 (verwijzing naar F.H. Knight).
Ibid, p. 28-39, in het bijzonder p. 31 (“Pigou seems to have had a faulty view of the facts of the situation. But it also seems likely that he was mistaken in his economic analysis.”) en p. 39 (“Indeed, Pigou’s treatment of the problems considered in this article is extremely elusive and the discussion of his view raises almost insuperable difficulties of interpretation. Consequently, it is impossible to be sure that one has understood what Pigou really meant. Nevertheless, it is difficult to resist the conclusion, extraordinary though this may be in an economist of Pigou’s stature, that the main source of this obscurity is that Pigou had not thought his position through.”).
Ten opzichte van de mogelijkheden om via regulering effectief het marktmechanisme bij te kunnen sturen nam Coase op het eerste gezicht een neutrale houding in. Zo stelde hij weliswaar dat overheidsingrijpen niet noodzakelijkerwijs tot betere resultaten zou leiden dan wanneer een probleem enkel aan de markt overgelaten zou worden, maar hij voegde hieraan toe dat ook het omgekeerde waar was (een marktoplossing is niet noodzakelijkerwijs beter dan een oplossing door regulering).1 Bij nadere beschouwing blijkt Coase toch een zekere voorkeur voor marktgeoriënteerde oplossingen te hebben gehad: “There is, of course, a further alternative, which is to do nothing about the problem at all. And given that the costs involved in solving the problem by regulations issued by the governmental administrative machine will often be heavy (…) it will no doubt be commonly the case that the gain which would come from regulating the actions which give rise to the harmful effects will be less than the costs involved in Government regulation.”2 Anders gezegd: in de visie van Coase was het vaak minder effectief om het marktmechanisme met regulering van overheidswege bij te sturen dan om simpelweg niet in de markt te interveniëren.3 Dit uitgangspunt bracht volgens Coase met zich mee dat overheidsregulering beperkt moest worden toegepast (“curtailed”), al voegde hij hier meteen aan toe dat niet duidelijk was hoever deze beperking precies zou moeten gaan.4 Al met al tendeerden de opvattingen van Coase – en dus ook de normatieve uitgangspunten waarop de Coase Theorem was gebaseerd – naar vrije marktoplossingen boven overheidsinterventie.5 Later zou Harcourt de beleidsmatige implicaties van het artikel van Coase aan het adres van de overheid als volgt samenvatten: “[I]f transaction costs are low, do nothing because free-market transactions will produce the most efficient outcome; and if transaction costs are high, ‘commonly’ do nothing and ‘curtail’ your interventionists tendencies because it is too hard to assemble the necessary data, the calculations are intractable, and government tends to be inefficient.”6
Het is daarnaast belangrijk om te onderkennen dat de Coase Theorem zelf een arbitrair element bevat: de aanname dat een proces van onderhandelingen en markttransacties in een volledig kostenneutrale (en dus vrije) markt tot een optimale allocatie van onderlinge rechten en plichten leidt. Deze aanname was niet gebaseerd op een feitelijke observatie, maar op een logische redenering van Coase aan de hand van het hypothetische geval van veehouder A en boer B. De stelling van Coase dat, wanneer door markttransacties een optimale verdeling van rechten tussen A en B kan worden bereikt, deze transacties in een kostenneutrale omgeving altijd zullen plaatsvinden kan daarom alleen als normatieve claim gelden, niet als een feitelijke observatie. Even arbitrair was de impliciete voorkeur voor marktgedreven oplossingen boven overheidsoplossingen die Coase liet doorklinken in zijn beschouwing over hoe de werking van niet- kostenneutrale marktmechanismen (dat wil zeggen: de echte wereld) kon worden bijgestuurd. Ondanks het feit dat Coase erkende dat over marktwerking en overheidsingrijpen onvoldoende empirisch bewijs bestond om een voorkeur voor het een of het ander uit te spreken, prefereerde hij persoonlijk non-interventie in het marktmechanisme.7 Hiermee gaf Coase zijn aansporing tot nader onderzoek over de economische effecten van de verschillende vormen van ingrijpen in marktmechanismen – al dan niet onbedoeld – een zekere ideologische lading.
De normatieve claim over marktwerking en de ideologische claim over de superioriteit van marktgedreven oplossingen boven overheidsingrijpen werden door Coase niet als zodanig benoemd. Dit doet de vraag rijzen naar de herkomst van deze opvattingen. Het wezen van de werking van markten bij Coase lijkt terug te gaan op de beroemde ‘invisible hand’ van Smith8 terwijl de aanname dat mensen via een marktmechanisme tot een optimaal arrangement kunnen komen lijkt te zijn geënt op het streven naar maximalisatie van eigen genot uit het utilitarisme van Bentham.9 Zowel Smith als Bentham zijn later binnen de Chicago School als intellectuele voorvaderen van de stroming van law & economics aangemerkt, zij het dat er binnen de Chicago School ook grote verschillen van inzicht bestonden in hoe met name de geschriften van Bentham geïnterpreteerd moesten worden.10 In meer algemene zin is law & economics wel aangemerkt als een variant op – dan wel een verbijzondering van het utilitarisme: “Law and economics tries to keep the advantages of utilitarism – avoiding making controversial judgments – while losing its disadvantages of being unworkable for social decision-making. The transformation occurs by taking utilitarianism’s discussion of ‘fulfilling desires’ and putting it into the context of economic action.”11 In deze zin zou de Coase Theorem als een kwantificeerbare benadering van het utilitarisme beschouwd kunnen worden. De Coase Theorem lijkt stilzwijgend uit te gaan van een combinatie van de natuurlijk werkende vrije markt van Smith waarin marktpartijen als gevolg van Bentham’s rationeel-utilitaristische afwegingen – elke partij probeert zijn/haar genot tot het hoogst haalbare niveau te maximaliseren – via markttransacties een voor alle partijen optimaal arrangement bewerkstelligen. In zoverre is de Coase Theorem een wetenschappelijke belichaming van een idee van natuurlijke orde.12
Met de ideologisch gedreven voorkeur voor marktoplossingen boven overheidsinterventie plaatste Coase zich in de klassiek-liberale traditie waartoe ook onder meer Hayek en – in zekere zin – Friedman (zie §4.2.4 hierna) behoorden. Coase’s veronderstelling dat de overheid vanwege een gebrek aan informatie en competitieve prikkels naar alle waarschijnlijkheid niet in staat zou zijn om via regulering of centrale leiding een beter resultaat te genereren dan private markten lijkt in grote lijnen op de argumenten van Hayek in The Road to Serfdom teruggevoerd te kunnen worden.13 Instemmende verwijzingen elders in de tekst naar artikelen van Stigler14 en Knight15, beide prominente economen aan de University of Chicago, gecombineerd met buitengewoon harde aanvallen aan het adres van de indertijd gezaghebbende Cambridge-econoom Pigou16 geven een verdere indicatie van Coase’s ideologische oriëntatie. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de doorwerking van ideologische opvattingen in het werk van Coase zelf beperkt bleef. Uiteindelijk droeg Coase geen ideologische opvatting uit over de verhouding tussen markt en staat, maar moest gedegen empirisch onderzoek de doorslaggevende factor zijn bij beslissingen over overheidsinterventie in marktmechanismen.