Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.4.1:IV.5.4.1 Verband tussen daad en dader
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.4.1
IV.5.4.1 Verband tussen daad en dader
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460206:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoerig Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 8; Sieburgh 2000; en Asser/Sieburgh 6-IV 2019/3.2.
Hiermee bedoel ik onrechtmatige daad in de zin van 6:162 lid 2 BW. Zie over het onderscheid tussen onrechtmatige daad in de enge en de ruime zin van het woord, hierboven par. IV.1.4.
Zie par. IV.5.3.2 onder het kopje ‘B) Het objectieve bestanddeel’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, is niet voldoende dat de eiser inbreuk maakt op een recht of in strijd handelt met de wet of het ongeschreven recht (dus voldoet aan het onrechtmatigheidsvereiste in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW); de onrechtmatige gedraging moet ook kunnen worden toegerekend aan de dader (toerekenbaarheid op grond van artikel 6:162 lid 3 BW). Waar het onrechtmatigheidsvereiste een verband legt tussen een gedraging en de geschonden norm, legt het toerekenbaarheidsvereiste het verband tussen de daad en de dader.1
Ik merk hier vast op dat het begrip ‘toerekening’ in meerdere contexten wordt gebruikt en verschillende dingen kan betekenen. In deze paragraaf gaat het om toerekening in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW, dus de toerekening van de onrechtmatige daad (in de enge zin van het woord) aan de dader.2 Het gaat dus niet om de toerekening van de delictsgedraging in het kader van de onrechtmatigheidstoets, zoals hiervoor aan bod kwam bij de bespreking van het objectieve bestanddeel.3 Omdat ik me kan voorstellen dat dit homoniem voor de nodige verwarring kan zorgen, zet ik voor de duidelijkheid in par. IV.5.4.5 de vier verschillende toepassingen en betekenissen van het woord ‘toerekenen’ op een rij.
Artikel 6:162 lid 3 BW geeft aan op welke gronden een onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan de dader.
“Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.”
Uit deze bepaling volgt dat er drie gronden zijn voor de toerekening van een verboden gedraging: schuld, de wet of verkeersopvattingen.