De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.3.2:21.3.3.2 Toepassing van de gezichtspuntencatalogus door feitenrechters
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.3.2
21.3.3.2 Toepassing van de gezichtspuntencatalogus door feitenrechters
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372592:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Andere, hier niet besproken verjaringsrechtelijke asbestuitspraken zijn Hof Den Haag 25 juli 2003, NJF 2004, 28; Hof Den Haag 24 juli 2002, PRG 2002, 5967; Hof Den Bosch 21 augustus 2001, KG 2001, 274 en Rechtbank Dordrecht 17 juli 2003, KG 2003, 173.
17 juli 2003, KG 2003, 173.
22 mei 2003, PRG 2003, 6067.
19 juni 2001, KG 2001, 190. Het bekrachtigende hofarrest van dit vonnis hield in cassatie stand; zie het nader te bespreken HR 26 november 2004, RvdW 2004,133.
10 maart 2004, NJF 2004, 311.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspuntencatalogus wordt in de volgende min of meer willekeurig gekozen uitspraken in eerste feitelijke instanties als volgt gehanteerd.1
President Rechtbank Rotterdam 2003:2
"11. Omtrent deze gezichtspunten wordt het volgende overwogen:
In het onderhavige geval heeft de vordering betrekking op vergoeding van immateriële en materiële schade en komt deze ten gunste van eiser;
Eiser heeft op grond van de Regeling TAS een tegemoetkoming ontvangen van €15 882. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tegemoetkoming terugbetaald dient te worden indien Verolme alsnog tot uitkering overgaat. Voorts is het uitgekeerde bedrag aanzienlijk lager dan het thans geldend normbedrag (€45 902) zoals gehanteerd door het JAS ter vergoeding van geleden immateriële schade;
Op grond van hetgeen onder 7 en 8 is overwogen kan de blootstelling van eiser aan asbest tijdens zijn werkzaamheden als ijzerwerker voor Verolme in ernstige mate worden verweten;
Uit hetgeen [hiervoor] is overwogen volgt dat Verolme ook vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening diende te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat — gelet op de toelichting op het asbestbesluit van 1977 — het verband tussen asbest en mesothelioom sedert jaren bekend was en dat het in 1991 reeds lang in de rechtspraak was aanvaard dat bij niet-inachtneming van een veiligheidsvoorschrift de overtreder aansprakelijk is voor de schade, ook al wordt deze gerealiseerd op een wijze die niet voorzienbaar was. In hoeverre Verolme met de mogelijkheid van aansprakelijkheid rekening heeft gehouden is gesteld noch gebleken;
De stelling van Verolme dat zij door het verstrijken van de tijd en het teloor gaan van administratie door overstromingen, de brand en overname(s) in die tijd thans in redelijkheid geen mogelijkheid meer heeft zich te verweren, overtuigt niet. In dit kort geding is gebleken van één overname en wel in 1980 door Van de Giessen-de Noord NV, de huidige bestuurder van Verolme. Aangezien het verband tussen asbest en mesothelioom toen reeds bekend was en eiser op dat moment nog bij Verolme in dienst was, dient het verloren gaan van enige relevante informatie als gevolg van die overname voor rekening en risico van Verolme te blijven. Voorts heeft Verolme met betrekking tot het teloor gaan van de administratie zich louter tot mededelingen beperkt. Niet is gesteld of gebleken dat Verolme zich voldoende heeft ingespannen om de verloren gegane administratie te reconstrueren, terwijl voorts in redelijkheid van Verolme mag worden verwacht dat zij andere bronnen dan haar (personeels)administratie raadpleegt en benut om de gegevens van eiser te verifiëren;
Aangezien Verolme stelt dat zij niet meer kan achterhalen of de vordering van eiser door een verzekering wordt gedekt, dient er voorshands vanuit te worden gegaan dat zij geen beroep op een verzekering kan doen;
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij de brief van 5 februari 2002 Verolme binnen een redelijke termijn aansprakelijk heeft gesteld. Tussen die aansprakelijkstelling en het instellen van de onderhavige vordering zijn 16 maanden verstreken. Uit de correspondentie in die periode blijkt dat dit tijdsverloop voor een belangrijk deel aan Verolme zelf te wijten is. Dit tijdsverloop vormt dan ook geen aanleiding om te concluderen dat eiser zijn vordering niet binnen een redelijke termijn heeft ingesteld."
De president oordeelt het beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
President Rechtbank Almelo 2003:3
"5. (...) De ziekte mesothelioom heeft zich bij eiseres in mei 2002 geopenbaard, derhalve zo'n eenendertig jaar na de gestelde onrechtmatige daad. Eiseres heeft binnen een redelijke termijn (acht maanden) daarna Eternit aansprakelijk gesteld (ad a). De gevorderde schadevergoeding betreft immateriële schadevergoeding en komt geheel ten goede aan eiseres (ad b, c). Aanspraak op een uitkering uit andere hoofde bestaat voor eiseres niet (ad d). Zo komt vast te staan dat Eternit, zonder te waarschuwen voor de gezondheidsrisico's, asbest-platen heeft geleverd voor de loods bij de ouderlijke woning van eiseres terwijl zij wist dat het asbest bij bewerking schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid, kan Eternit hier een ernstig verwijt worden gemaakt (ad e). Het hiervoor overwogene brengt met zich dat Eternit rekening had kunnen houden dan wel had behoren te houden met het feit dat zij voor de schade aansprakelijk gesteld zou kunnen worden (ad D. Niet gebleken is dat Eternit zich niet (meer) zou kunnen verweren tegen de vordering van eiseres (ad g). Eternit heeft haar aansprakelijkheid niet verzekerd. Het buiten toepassing laten van de verjaringstermijn levert echter geen onevenredig nadeel op voor Eternit, nu indien wel binnen 20 jaar na blootstelling aan asbest de vordering zou zijn ingediend, de aansprakelijkheid ook niet door een verzekering zou zijn gedekt (ad h)."
De president oordeelt het beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid. President Rechtbank Rotterdam 2001:4
"(Ad a) Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering betrekking heeft op vergoeding van materiele en immateriële schade, welke ten goede komt aan De Jong.
(Ad b) De Jong heeft uit hoofde van de Regeling Asbestslachtoffers een uitkering van f 35 000 gekregen. Daarbij dient echter te worden aangetekend dat dit bedrag aanzienlijk lager is dan de norm die in het kader van voornoemde regeling is vastgesteld; te weten op f 90 000 aan immateriële schadevergoeding en f 10 000 materiële schadevergoeding.
(Ad c) Van verwijtbaarheid aan de zijde van Optimodal in haar huidige gedaante is geen sprake. Koppe heeft in 1971 haar activiteiten gestaakt. In de periode van 1971 tot en met 1991, derhalve gedurende 20 jaar, heeft de vennootschap geen enkele activiteit uitgeoefend en was er sprake van een zogenaamde "lege" of "plank"-BV Optimodal is eerst in 1992 gestart en oefent geheel andere activiteiten uit dan Koppe tot 1971 uitoefende.
(Ad d) Optimodal heeft vóór het verstrijken van de verjaringstermijn in 1991 ook geen rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Allereerst was Optimodal op dat moment nog niet met de onderneming gestart terwijl voorshands ook aannemelijk is geworden dat zij niet op de hoogte was van het verleden van Koppe te dien aanzien.
Bovendien had Optimodal hier ook geen rekening mee behoeven te houden nu, zoals onder ad c reeds is overwogen, zij zelf geen personeelsleden aan asbest heeft blootgesteld. (Ad e) Ter zitting is bovendien voorshands aannemelijk geworden dat het voor Optimodal naar redelijkheid niet mogelijk is deugdelijk verweer te voeren. Optimodal heeft in dat kader uitvoerig uiteengezet welke pogingen zij heeft ondernomen om informatie over Koppe en de door De Jong gestelde feiten te achterhalen, doch aannemelijk is dat zij te dien aanzien geen voor dit geding relevante informatie heeft kunnen verkrijgen.
(Ad f) Volgens De Jong is de verzekeraar van Optimodal krachtens de Regeling asbestschade van het Verbond van Verzekeraars (circulaire AAA 99/04) gehouden de schade met De Jong te regelen. De Jong heeft ter zitting daarnaast verwezen naar de algemene voorwaarden VA 930-01 en stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een loss occurrence dekking.
De juistheid van het standpunt van De Jong kan niet zonder meer uit de overgelegde producties worden afgeleid, terwijl uit de door Optimodal overgelegde fax van 4 mei 2001 van AON met bijlage van Fortis kan worden afgeleid dat er geen dekking is. Het voert in het kader van dit kort geding te ver om de juistheid van het standpunt van Fortis nader te onderzoeken. Evenmin is aannemelijk geworden dat er AVB-dekking is geweest in de periode 1972/1992 dan wel van AVB dekking bij Koppe.
(Ad g) Ten aanzien van de vraag of De Jong binnen een redelijke termijn tot aansprakelijk-stelling is overgegaan, overweegt de president als volgt. De diagnose mesothelioom is in november 1997 gesteld terwijl de aansprakelijkstelling van de NS — van wie De Jong aannam dat hij de aan te spreken werkgever was — plaats vond bij brief van 2 mei 2000. Hoewel de omstandigheden die er toe hebben geleid dat er een lange periode tussen de diagnose en de aansprakelijkstelling was gelegen, niet onbegrijpelijk zijn, is een termijn van ruim 2,5 jaar in deze geen redelijke termijn."
De president oordeelt het beroep op verjaring van de werkgever niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Rechtbank Rotterdam 20045
"ad a: de gevorderde schadevergoeding komt ten goede aan B. als weduwe van M.;
ad b: B. heeft een uitkering op grond van de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers ontvangen, doch dat staat niet aan de weg aan het vorderen van (volledige) schadevergoeding in een civiele procedure. Door de gemeente wordt aangevoerd dat B. niet is ingegaan op haar verzoek inzicht te verschaffen op vergoedingen uit andere hoofde, zoals verzekeringen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet met zich brengt dat dit gezichtspunt in het nadeel van B. zou moeten uitvallen nu dit standpunt miskent dat het erom gaat of op grond van alle omstandigheden van het geval de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de verjaringstermijn buiten toepassing dient te blijven. In het kader van de beoordeling van een beroep op verjaring is het voldoende te constateren dat B. voormelde uitkering heeft ontvangen. Indien uiteindelijk zou blijken dat de gemeente aansprakelijk is, spelen voormelde eventuele vergoedingen een mogelijke rol bij de vaststelling van de schadevergoeding; ad c: door B. zijn stukken in het geding gebracht waaronder notities omtrent het asbest-gebruik bij het Gemeentelijk Energiebedrijf gedurende de jaren zestig en zeventig. Daaruit blijkt dat medewerkers fors zijn blootgesteld aan asbest. M. werkte toen echter niet voor het Gemeentelijk Energiebedrijf doch voor de Dienst Bouw- en Woningtoezicht. In het kader van het beoordelen van het beroep op verjaring komt het de rechtbank echter voor dat als er in jaren 60 forse blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden het niet onlogisch is ervan uit te gaan dan dit ook eind jaren 50 heeft plaatsgevonden. De vraag is in hoeverre dat aan de gemeente kan worden verweten. Geconcludeerd kan echter worden dat niet kan worden uitgesloten dat M. uit hoofde van zijn functie met asbest in aanraking is gekomen en dat, als de gemeente dat wist zonder maatregelen te treffen, haar een ernstig verwijt treft. Indien deze aannames niet correct zijn, hetgeen in het vervolg van deze procedure aan de orde zal komen, is er geen reden tot aansprakelijkheid van de gemeente;
ad d: mede gelet op de dissertatie van Dr. Stumphius uit 1969 brengt hetgeen ad c. is overwogen met zich dat de gemeente er rekening mee diende te houden dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
ad e: weliswaar is aannemelijk dat het voeren van verweer door de gemeente tegen de vordering van B. bemoeilijkt wordt door het lange tijdsverloop, maar anderzijds moet de gemeente in staat worden geacht, mede gelet op hetgeen sub d. is overwogen, middels verklaringen van toenmalige collega's verdere informatie te verkrijgen omtrent de door hem verrichte werkzaamheden en de omstandigheden waaronder hij de werkzaamheden heeft verricht;
ad f: het staat vast dat de schade door verzekering is gedekt."
De rechtbank oordeelt het beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid.