Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.8.2.2.2:7.8.2.2.2 Rechtvaardigingsgronden toetsingskader
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.8.2.2.2
7.8.2.2.2 Rechtvaardigingsgronden toetsingskader
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633813:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1989-1990, 20868, nr. 2, Criteria steunverlening (kerk)genootschappen, p. 4.
Hoge Raad 6 augustus 2021, ECLI:NL:HR:2021:1188, r.o. 4.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de fundamentele beginselen uit mijn toetsingskader nemen rsli’s een andere rechtspositie in dan andere anbi’s. Die beginselen komen erop neer dat de staat de vrijheid van richting, inrichting en oprichting van rsli’s eerbiedigt en dat de rsli’s geen formele zeggenschap in publieke besluitvorming toekomt. Die andere rechtspositie blijkt des te meer bij een instelling met de rechtsvorm kerkgenootschap, die een bijzondere civielrechtelijke inrichtingsvrijheid kent. Het beginsel van scheiding van kerk en staat verzet zich niet tegen steunverlening door de staat aan rsli’s, mits de organisatorische zelfstandigheid en de belijdenisvrijheid worden gerespecteerd, de rsli’s op gelijke voet worden behandeld en de overheid zich onthoudt van maatregelen die een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting bevorderen ten koste van andere.1 De speciale rechtspositie van rsli’s op grond van de fundamentele beginselen rechtvaardigt mijns inziens echter niet het verschil in fiscale behandeling tussen rsli’s en overige anbi’s als gevolg van de beperking van de eredienstuitzondering tot rsli’s. Deze speciale rechtspositie betreft immers de eerbiediging van de vrijheid van richting, inrichting en oprichting van geestelijke gemeenschappen en van de bijzondere civielrechtelijke inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen. Deze vrijheden zijn echter niet in het geding bij de toepassing van de eredienstuitzondering voor rsli-gebouwen.
De overige elementen van mijn toetsingskader (de rechtsvormkeuze en het grondrecht op privacy) bieden evenmin een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor dit onderscheid. De rechtsvorm speelt geen rol bij de toepassing van de eredienstuitzondering, waarvoor de rechtsvorm die de instelling kiest, immers niet beslissend is. Het grondrecht op privacy biedt – zoals bleek uit hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief – ook bescherming aan rechtspersonen en strekt zich ook uit tot ruimten waarvan rechtspersonen gebruik maken. De bescherming van ruimten die rsli’s in gebruik hebben, valt onder de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in combinatie met het grondrecht op privacy, maar die bescherming omvat niet een verplichte vrijstelling van belasting over de eigendom of het gebruik van een onroerende zaak.
Voor het onderscheid tussen rsli’s en andere anbi’s in de toepassing van de eredienstuitzondering is er op grond van mijn toetsingskader dus geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond.
Belangrijk is dat de Hoge Raad in een uitspraak over rioolheffing openbare toegankelijkheid van een gebouw dat voor algemeen nut dient als een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond accepteert voor een vrijstelling voor kerkgebouwen.2 Hoewel de Hoge Raad zich niet uitspreekt over de vraag of dit ook een vrijstelling voor andere openbare gebouwen in gebruik bij overige anbi’s rechtvaardigt, moet het antwoord op die vraag naar mijn mening bevestigend zijn.
Mijn conclusie is dat er geen objectieve, redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat voor het wel toekennen van een uitzondering van de ozb voor rsli’s bij gebruik van onroerende zaken die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard en het niet toekennen van een dergelijke uitzondering van de ozb voor openbare onroerende zaken in gebruik bij andere anbi’s.
Nu een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor het verschil in fiscale behandeling tussen rsli’s en andere anbi’s ontbreekt, is mijn aanbeveling dat de eredienstuitzondering of onder soortgelijke voorwaarden wordt uitgebreid naar onroerende zaken in hoofdzaak bestemd voor openbare activiteiten van andere anbi’s of wordt afgeschaft.
Tabel 7.7. geeft de toetsing van anbi-faciliteiten onroerende-zaakbelasting schematisch weer.
Tabel 7.7. Toetsing van anbi-faciliteiten onroerende-zaakbelasting
Faciliteit ozb
Onderscheid
Rechtvaardiging
Eredienstuitzondering voor gebouwen bestemd voor gebruik door rsli’s.
Ja: tussen rsli’s en andere anbi’s.
Nee, voor zover het gaat om openbaar toegankelijke gebouwen.