De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.1:6.1 Inleiding
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS382361:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk staat eveneens in het teken van de deelvraag met welke stellingen een schuldenaar zich tegen een vordering tot nakoming kan verweren. In dit hoofdstuk beantwoord ik de vraag hoe de open redelijkheidsnormen ter beperking van het recht op nakoming in scherpere normen kunnen worden vertaald.
Indien de kosten van nakoming voor de schuldenaar onevenredig hoog zijn in verhouding tot het belang van de schuldeiser bij nakoming, kan de schuldenaar zich met succes tegen een vordering tot nakoming verweren. De redelijkheid als beperkingsgrond van het recht op nakoming doet zich in verschillende hoedanigheden voor. Zo spreekt men over de relatieve onmogelijkheid, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, de Multi Vastgoedtoets en de onevenredigheid van nakoming (art. 7:21 lid 4 en art. 7:759 lid 2). Deze kwalificaties geven aan dat de bandbreedte waarbinnen het recht op nakoming van de schuldeiser bestaat, mede wordt bepaald door de belangen van de schuldenaar. De door de redelijkheid getrokken grenzen rond het recht op nakoming hebben daarmee een zware normatieve component die aangeeft dat met 'alle omstandigheden van het geval' rekening moet worden gehouden. Het is deze normatieve component die het zicht op de precieze grenzen van het recht op nakoming vertroebelt. Wanneer de uitoefening van het recht op nakoming door de schuldeiser al dan niet onredelijk is ten opzichte van het belang van de schuldenaar laat zich immers moeilijk op voorhand voorspellen. Het normatieve aspect van deze grenzen verklaart het open karakter van de normen waarin deze redelijkheidsgrenzen op het recht op nakoming zijn neergelegd.
In dit hoofdstuk doe ik een voorstel deze open normen te concretiseren. In par. 6.2 sta ik stil bij de bestaande normen waarmee een schuldenaar zich tegen nakoming kan verweren. Par. 6.3 neemt het grootste gedeelte van dit hoofdstuk in beslag. In deze paragraaf doe ik een poging om tot een concretisering te komen van de in open normen gehulde redelijkheidsgrenzen van het recht op nakoming. Als concreet afwegingsinstrument introduceer ik de 130%-richtlijn en behandel ik twee uitzonderingen op deze hoofdregel. In par. 6.4 bespreek ik de door de redelijkheid getrokken grenzen bij de bijzondere overeenkomsten koop en aanneming van werk. De 20%-richtlijn vult de 130%-richtlijn aan ter begrenzing van het recht op nakoming bij koop. Voorts bespreek ik in par. 6.4 tal van praktische problemen die bij herstel en vervanging kunnen rijzen. Par. 6.5 sluit ten slotte af met een conclusie.