Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/7.6.1
7.6.1 Het inhoudelijke criterium
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492434:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ov. 8 considerans. Sommige praktijken die onder de subnorm vallen echter niet: `inertia selling' bijv. De ongevraagde commerciële bejegening wordt verboden door art. 9 Richtlijn koop op afstand.
Zie hierover Howells 2007, p. 167-171.
Follow-up van het Groenboek, p. 8-9 en 16 (par. 7.2.1).
Commissie 2003a, nr. 56. 'Bedrog, intimidatie, ongepaste beïnvloeding of dwang zijn altijd strijdig met de vereisten van professionele toewijding', zie ook nr. 57.
Commissie 2003a, nr. 70.
Zie de weinig verhelderende slotzin van ov. 6 considerans. Zeer kritisch op dit punt: Howells 2007, p. 168-169: '71w Directive can be criticised for failing to provide a sufficiently clear rationalisation of its policy in extending to cover aggressive practices.' Hij tracht in zijn hoofdstuk enige sturing te verschaffen.
Commissie 2003a, nr. 71.
Twigg-Flesner e.a. 2005, p. 47 (par. 3.32 aldaar).
Vgl. par. 7.3.3 en 7.6.2 over de discrepantie in de formulering, i.e. de referentie aan een 'geïnformeerd' besluit daar waar de vrijheid van dit besluit in het geding is.
Commissie 2003a, nr. 71. Net als bij de misleidende handeling is het bij de agressieve handelspraktijk moeilijk om het inhoudelijke en het (eerste deel van het) effectcriterium te onderscheiden. Een onderscheid is slechts denkbaar wanneer een dergelijke inperking in bepaalde gevallen geoorloofd zou zijn en dus niet aan het inhoudelijke criterium wordt voldaan.
Howells 2007, p. 170.
Twigg-Flesner e.a. 2005, p. 46 (par. 3.28 aldaar).
458. De derde subnorm vormt een noviteit naar Europees recht.1 Vraag is waarom er voor een aparte subnorm gericht op agressieve handelspraktijken is gekozen, aangezien de hoofdnorm dergelijke praktijken ook kan bestrijden.2 Het nader concretiseren van de hoofdnorm biedt echter meer rechtszekerheid en dus bescherming. De categorie 'agressieve praktijken' werd door de Commissie bedacht en opgebouwd uit leerstukken die de meeste stelsels gemeen hebben.3 Het inhoudelijke ofwel gedragscriterium bij deze subnorm vereist volgens art. 8 dat sprake is van 'intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding'. Hierna wordt nagegaan wat onder deze drie gedragingen wordt begrepen.
459. De toetsing aan het gedragscriterium komt neer op de vaststelling van het ongepaste karakter van de op de consument uitgeoefende druk. De Commissie wijst op de bij deze subnorm immer aanwezige strijd met de professionele toewijding.4 Zij onderscheidt verder de agressieve praktijken van de 'rechtmatige marketing'.5 Het onrechtmatige karakter van 'dwang' en 'intimidatie' staat vast. Bij de vaststelling van de naar ik meen ruimere restcategorie praktijken die bestaan uit een 'ongepaste beïnvloeding', betreden we echter het grijze grensgebied tussen het rechtmatige en het onrechtmatige.6 Dat de vaststelling van een 'ongepaste beïnvloeding' in vergelijking met die van de twee andere agressieve praktijken problematisch is zou kunnen verklaren waarom van de drie vormen van onwettige pressie in art. 2 slechts de ongepaste beïnvloeding wordt gedefinieerd (onder j). Deze gedraging wordt gekenmerkt als:
`(...) het uitbuiten van een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen op een wijze die het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt.'
Vraag is wat onder machtspositie wordt verstaan en wanneer hiervan sprake is. Ook in de toelichting op de ontwerprichtlijn is de ongepaste beïnvloeding de enige gedraging waarop nader wordt ingegaan. De Commissie noemt als een voorbeeld van ongepaste beïnvloeding het geval waarin een handelaar een consument aanbiedt diens schulden te herschikken indien deze een extra product koopt.7 Een enkel voorbeeld leert ons echter weinig over de grens tussen het gepaste en het ongepaste. Dit geldt evenmin voor de agressieve praktijken op de zwarte lijst.8 Het gaat hier immers om overduidelijk oneerlijke praktijken.
460. Wat biedt de toetsende instantie wel houvast bij de vaststelling van het ongepaste karakter van de op de consument uitgeoefende druk? Art. 9 richtlijn bevat een vijftal gezichtspunten die houvast bieden bij de vaststelling van `intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding':
`(a) het tijdstip, de plaats, de aard en de persistentie van de handelspraktijk;
het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen;
het uitbuiten door de handelaar van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de consument kunnen beperken, hetgeen de handelaar bekend is, met het oogmerk het besluit van de consument met betrekking tot het product te beïnvloeden;
door de handelaar opgelegde, kosten met zich meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de consument uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander product of een andere handelaar te kiezen;
het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen.'
Hoewel deze gezichtspunten de grens tussen een gepaste en een ongepaste beïnvloeding helpen trekken, vormt vooral de inperking van de beoordelingsvrijheid van de consument genoemd in onder c een onderscheidend criterium. Dit blijkt ook uit het feit dat de Commissie het aanbieden van een drankje of gratis vervoer naar een winkelcentrum alsook methoden van verkoopbevordering niet als ongepaste beïnvloeding aanmerkt, omdat deze praktijken 'het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, niet (beperken)'.9 Het inhoudelijk criterium valt bij de agressienorm dus samen met het eerste deel van het effectcriterium: de inperking van de beoordelingsvrijheid.10
Verwacht wordt dat min of meer strenge nationaalrechtelijke en aanverwante regelingen de interpretatie van deze subnorm sterk zullen beïnvloeden.11 De onduidelijke grens tussen de gepaste en de ongepaste beïnvloeding en het gezichtspunt 'de feitelijke context, de kenmerken en de omstandigheden' werken uitleg- en toepassingsverschillen in de hand. In dit kader zal mogelijk verschillend met de illustratieve lijst uit art. 9 richtlijn worden omgegaan. De vraag is of zij als een limitatieve lijst van gezichtspunten ter invulling van 'de feitelijke context, de kenmerken en de omstandigheden' van de praktijk uit art. 8 zal worden opgevat. Een limitatieve opvatting zou een met het oog op het maximale harmonisatie-karakter van de richtlijn begrijpelijke zienswijze zijn.12