Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.15:4.15 Art. 2:11 BW en verjaring van vorderingen
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.15
4.15 Art. 2:11 BW en verjaring van vorderingen
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS298903:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Burgerlijk procesrecht / Eerste aanleg
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008/119.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008/119.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van het instellen van een procedure tegen (een) bestuurder(s) kan (eveneens) de vraag aan de orde komen of de vordering jegens die bestuurder(s) in kwestie is verjaard.
De aansprakelijkheid van de eerstegraads bestuurder rust ingevolge art. 2:11 BW tevens hoofdelijk op de tweedegraads bestuurder. Het betreft mijns inziens dezelfde aansprakelijkheid inclusief alle gronden waarop die aansprakelijkheid kan worden beperkt. Ondanks het feit dat het gaat om “dezelfde aansprakelijkheid”, is het van belang te benadrukken dat een schuldeiser in beginsel jegens iedere hoofdelijk aansprakelijke bestuurder een afzonderlijke rechtsvordering kan instellen. Een schuldeiser zal stuiting van een verjaring van een dergelijke rechtsvordering slechts kunnen inroepen jegens de (hoofdelijk verbonden) bestuurder aan wie de schuldeiser een schriftelijke aanmaning of mededeling (art. 3:317 BW) heeft gericht of die een erkenning als bedoeld in art. 3:318 BW heeft gedaan.1 De situatie kan zich voordoen waarin een rechtsvordering jegens een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder verjaard is en een rechtsvordering jegens een tweedegraads bestuurder niet, aangezien laatstgemelde verjaring tijdig en op rechtsgeldige wijze is gestuit. Naar mijn mening geldt in dat geval dat men in de betreffende procedure niet tot een veroordeling van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder kan komen. In de betreffende procedure kan echter nog steeds wél de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder vastgesteld worden en daarmee – via art. 2:11 BW – van de tweedegraads bestuurder. De verjaring van de rechtsvordering jegens de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder staat – anders gezegd – niet in de weg aan de veroordeling van de tweedegraads bestuurder.
Een ander aspect is de verlenging van een lopende verjaringstermijn. Art. 3:320 BW bepaalt dat – wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond – de termijn voortloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken. Art. 3:321 BW bevat een aantal limitatieve gronden voor verlenging van de verjaring. Een dergelijke grond voor verlenging van de verjaring werkt in beginsel slechts ten aanzien van de schuldenaar op wie die grond betrekking heeft.2 Art. 3:321 lid 1 aanhef en sub d. BW bepaalt dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat “tussen rechtspersonen en haar bestuurders”. Deze verlengingsgrond is in de wet opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen dat – indien een bestuurder van een bepaalde rechtspersoon verzuimt namens die rechtspersoon een vordering jegens zichzelf in te stellen – de verjaring van de betreffende vordering bevrijdend werkt jegens die bestuurder.
In de tekst van voormeld art. 3:321 lid 1 aanhef en sub d. BW wordt alleen gesproken over “bestuurders”. Dat kunnen rechtspersoon-bestuurders zijn. De opsomming in art. 3:321 BW betreft een limitatieve opsomming. Artt. 3:320 en 3:321 BW houden mijns inziens geen rekening met vorderingen die tegen tweedegraads bestuurders worden ingesteld. Men mag niet uit art. 2:11 BW afleiden dat in dergelijke gevallen de verlengingsgrond eveneens geldt. Art. 2:11 BW houdt namelijk slechts in dat aansprakelijkheid wordt “doorgelegd” naar de tweedegraads bestuurder. Niet minder, maar ook niet meer. Wil men tweedegraads bestuurders begrijpen onder het in art. 3:321 BW vermelde begrip “bestuurders”, dan kan men daartoe mijns inziens enkel komen door een ruime uitleg van dat begrip.3