Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VIII.11.3.3
VIII.11.3.3 Het recht op verstrekking van persoons- en adresgegevens en overige gegevens van belang voor de inning
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358787:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Verdaas 2008, nr. 260.
Vgl. Verstijlen 1998, p. 197 e.v. en p. 328, p. 331 en p. 332-333. Iets anders is dat de curator wel gehouden kan zijn de gewenste informatie te verstrekken of om inzage in de administratie te verlenen, omdat het informatierecht van de cessionaris of pandhouder van goederenrechtelijke aard is en door de curator dient te worden gerespecteerd. Zie hierna: nr. 836.
Zie HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO).
Zie over het arrest ook: Damkot 2010, p. 166 e.v.; Struycken & Van Zanten 2010, p. 57 e.v. en p. 86 e.v.; Verdaas 2010, p. 91 e.v.; Tuil 2010, p. 21 e.v.; Verstijlen 2009a, p. 187 e.v.; Van Mierlo 2009, p. 917-918 en Piet 2009, p. 248 e.v.
Zie r.o. 4.2.1.
Dit laatste geldt niet in geval van de nakoming van de informatieverplichting door de pandgever buiten faillissement. Zie r.o. 4.2.2.
Zo ook: Verstijlen in zijn noot onder het arrest in de NJ en Verstijlen 2009a, p. 195-196. Vgl. Struycken & Van Zanten 2010, p. 61.
Daarentegen kritisch: Verstijlen 2009a, p. 197, die van mening is dat het oordeel van de Hoge Raad juist op gespannen voet staat met de aard en strekking van het pandrecht. Zie verder: Verstijlen 2010, p. 210-211, waar hij de goederenrechtelijke benadering van de Hoge Raad afwijst en de grondslag van de informatieplicht van de curator zoekt in een zorgvuldigheidsnorm die de curator in acht moet nemen. Vgl. ook afwijzend: Vonck 2010, p. 55.
Zie § VIII.3.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN) en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO).
Dit is anders indien de pandhouder een beroep kan doen op verrekening op grond van art. 53 Fw, zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN). Bovendien geldt dat als de curator op onjuiste gronden weigert de pandhouder van de gewenste informatie te voorzien, de curator een onrechtmatige daad jegens de pandhouder begaat. Het is goed verdedigbaar dat de pandhouder in dat geval overeenkomstig het arrest Hamm q.q./ABN-AMRO een vordering jegens de curator kan instellen tot afdracht van door de curator van schuldenaren ontvangen betalingen. De pandhouder komt daartoe een boedelvordering toe waaraan de rang van het pandrecht is verbonden. Zie r.o. 4.3.3. Vgl. ook hiervoor: nrs. 507-508.
Zo ook: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 207 en Struycken & Van Zanten 2010, p. 92. Vgl. impliciet: Rb. Rotterdam 15 maart 2011, JOR 2011/269, m.nt. Faber (ING/Rootselaar q.q.).
In deze zin terecht: Rb. Rotterdam 15 maart 2011, JOR 2011/269, m.nt. Faber (ING/Rootselaar q.q.).
Ook in de benadering van de Hoge Raad is het niet vereist dat de informatieverplichting tussen de pandgever en pandhouder is overeengekomen.
Pandgever en pandhouder kunnen een ander tijdstip overeenkomen.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN).
Vgl. ook: Wuisman in zijn conclusie voor het arrest Hamm q.q./ABN-AMRO, onder nr. 2.9.
Vgl. ook: Verdaas 2008, nrs. 256-259; Vermunt 2006, p. 177-178 en Faber, JOR 2002/38.
Vgl. Rb. Rotterdam 15 maart 2011, JOR 2011/269, m.nt. Faber (ING/Rootselaar q.q.).
De pandhouder kan er belang bij hebben dat de mededeling van verpanding door de pandgever plaatsvindt, zie in verband met cessie nr. 477.
Ook de Hoge Raad gaat daarvan uit in het arrest Hamm q.q./ABN-AMRO.
Dit kan ook door de pandhouder inzage te verlenen in de administratie.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN) en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO).
De afkondiging van een afkoelingsperiode (art. 63a, 241a Fw) brengt naar mijn mening niet met zich dat de curator gedurende deze periode inzage in de administratie zou mogen weigeren. De mededeling van stille cessie en verpanding kan immers ook gedurende de afkoelingsperiode geschieden. Zie art. 63b Fw en nrs. 500 en 502.
Zo ook: Faber, JOR 2011/269.
Bijvoorbeeld door de cessionaris inzage te verlenen in de administratie van de gefailleerde cedent.
Zoals vermeld, is het argument echter niet erg overtuigend.
Men zou wellicht kunnen betogen (maar erg overtuigend acht ik deze redenering niet) dat uit het feit dat de cessionaris voor de mededeling van cessie nog niet inningsbevoegd is – de inningsbevoegdheid komt toe aan de cedent, zie art. 3:94 lid 3 BW en hiervoor: nr. 489 – volgt dat de gerechtigdheid van de cessionaris tot de vordering (nog) niet volledig is. Vervolgens zou men kunnen betogen dat de aard en strekking van de gerechtigdheid tot een vordering verkregen door stille cessie met zich brengt dat de cedent en diens curator gehouden zijn de cessionaris van voldoende informatie te voorzien om zelfstandig mededeling van cessie te kunnen doen.
Zie ook art. 7.1 Insolad Prijktijkregels voor Curatoren: “De curator respecteert de eigendomsrechten van derden op zaken die zich in de boedel bevinden. Behoudens voor zover de wet of een beter recht van derden zich daartegen verzet levert de curator de betreffende zaken uit aan de eigenaren. Voor zover dat leidt tot kosten voor de boedel kan hij die aan die eigenaren in rekening brengen”.
De afkondiging van een afkoelingsperiode (art. 63a, 241a Fw) brengt naar mijn mening niet met zich dat de curator gedurende deze periode inzage in de administratie zou mogen weigeren. De mededeling van stille cessie en verpanding kan immers ook gedurende de afkoelingsperiode geschieden. Zie art. 63b Fw en hiervoor: nrs. 500 en 502.
Vgl. Biemans 2009b, p. 476-477.
Zie Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 135; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 354 en Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 127. Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 425. Vgl. voorts: Biemans 2007, p. 88 e.v.
Een lastgeving eindigt als gevolg van het faillissement, zie art. 7:422 lid 1 (b) BW. In geval van een ‘stille’ cessie blijft de cedent evenwel op grond van art. 3:94 lid 3 BW in zijn externe verhouding tot de schuldenaar en derden inningsbevoegd, zolang de cessie de schuldenaar niet is medegedeeld. Omdat de lastgeving als gevolg van het faillissement is geëindigd, zijn de cedent en ook diens curator in de interne verhouding echter niet meer bevoegd de vordering te innen. Zie nr. 498.
Daarvan is naar mijn mening ook sprake, indien de curator de vorderingen enkel passief blijft innen, dat wil zeggen uitsluitend betalingen in ontvangst neemt.
Ook indien men het bestaan van een met de revindicatie vergelijkbare actie ontkent, blijft gelden dat de curator gehouden is een einde te maken aan het onbevoegde houderschap van de vordering(en). De curator dient immers het goederenrechtelijke recht van de cessionaris te respecteren. De cessionaris kan dit in rechte afdwingen met een beroep op art. 3:296 BW al dan niet in samenhang met art. 6:162 BW. Vgl. Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 473.
Zie Biemans 2009b, p. 476.
Een (theoretisch) voorbeeld ter verduidelijking. Stel een derde, die geheel buiten de cessie of verpanding staat en ook niet ten behoeve van de cedent/pandgever handelt, beschikt (toevallig) over de persoons- en adresgegevens van de schuldenaar van de gecedeerde of verpande vordering. De cessionaris/pandhouder verlangt van deze derde afgifte van de gegevens, zodat hij in staat is om mededeling van de cessie of verpanding te doen. Het staat in dit geval buiten twijfel dat de cessionaris/pandhouder geen informatierecht toekomt op grond van het leerstuk van de onrechtmatige daad. Het enkele feit dat de derde beschikt over de gegevens die de cessionaris/pandhouder nodig heeft voor de uitoefening van zijn recht, roept voor de derde nog geen rechtsplicht in het leven om deze gegevens aan de cessionaris/pandhouder ter hand te stellen. Zoals hiervoor betoogd kan de cessionaris/pandhouder wel een ‘revindicatoire’ actie instellen jegens een derde die de vordering zonder recht in zijn macht heeft, hetgeen bijvoorbeeld kan blijken uit het feit dat deze derde de vordering int.
Men vergelijke in dit verband de mogelijkheid van samenloop van een vordering uit wanprestatie met die uit onrechtmatige daad. Samenloop is mogelijk indien de gedraging die wanprestatie in een verbintenis oplevert tevens als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt die niet uitsluitend bestaat uit de schending van een verbintenis. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 10. Vgl. ook: Struycken & Van Zanten 2010, p. 64.
Het arrest Hamm q.q./ABN-AMRO maakt niet duidelijk of het uit het pandrecht voortvloeiende informatierecht volgens de Hoge Raad ook tegenover een derde kan worden uitgeoefend. De Hoge Raad spreekt enkel van een verplichting van de gefailleerde pandgever en de curator. Vgl. Verstijlen in zijn noot onder het arrest in de NJ (nr. 7).
Ik acht het onder omstandigheden mogelijk dat de derde kan worden aangesproken uit onrechtmatige daad vanwege het meewerken aan of bevorderen van de schending van de informatieverplichting van de cedent/pandgever.
Zie nr. 834.
835. De functie van de curator van beheerder en vereffenaar van de boedel. Uit het feit dat de curator uit hoofde van zijn functie van beheerder en vereffenaar van de boedel gehouden kan zijn medewerking te verlenen aan de vaststelling van het object van de cessie of de verpanding, volgt niet dat de curator tevens gehouden is de cessionaris/pandhouder gegevens van de vordering(en) te verstrekken, zodat hij mededeling van de cessie/verpanding kan doen en de vordering(en) kan innen. De vaststelling in faillissement dat bepaalde vorderingen zijn gecedeerd of verpand, kan immers ook plaatsvinden zonder dat deze gegevens aan de cessionaris/ pandhouder worden overhandigd. Evenmin is de curator daartoe gehouden uit hoofde van zijn functie van beheerder en vereffenaar van de boedel (art. 68 Fw).1 De curator heeft in beginsel immers geen taak ten opzichte van separatisten, zoals cessionarissen en pandhouders. Zij dienen hun eigen belangen te behartigen en kunnen de curator niet uit hoofde van zijn functie aanspreken tot medewerking aan de uitoefening van hun goederenrechtelijke rechten.2
836. Een informatierecht van goederenrechtelijke aard. Hoewel dit niet voortvloeit uit zijn functie is de curator toch gehouden om de cessionaris/pandhouder de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren en de overige voor de inning relevante gegevens te verschaffen. Zoals hiervoor vermeld, volgt uit hun onderlinge rechtsverhouding voor de cedent/ pandgever de verplichting voort om de cessionaris/pandhouder te voorzien van de gegevens die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn recht. Deze verplichting is in beginsel van verbintenisrechtelijke aard. Daarnaast komt de cessionaris/pandhouder echter ook een goederenrechtelijke actie toe. Het informatierecht volgt namelijk tevens uit de aard en strekking van het goederenrechtelijk recht dat de cessionaris/pandhouder ten aanzien van de vorderingen heeft of houdt daar nauw verband mee. De curator dient goederenrechtelijke rechten van derden te respecteren. Dit brengt met zich dat ook op de curator een informatieverplichting rust. In het onderstaande zal worden bezien wat precies de aard en inhoud van dit goederenrechtelijke informatierecht van de cessionaris/pandhouder is.
837. Het arrest Hamm q.q./ABN-AMRO.3 Met betrekking tot de stilleverpanding heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aard en strekking van het stil pandrecht op vorderingen op naam, in verband met de in art. 3:246 leden 1 en 4 BW genoemde rechtsgevolgen die aan de mededeling van het pandrecht zijn verbonden, met zich brengen dat de faillissementscurator, en buiten faillissement de pandgever, gehouden is om de pandhouder op diens verlangen alle informatie aangaande (de schuldenaren van) de verpande vorderingen te verstrekken waarover hij de beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft om het pandrecht aan de schuldenaren te kunnen mededelen en de vordering te kunnen innen.4 De Hoge Raad wijst erop dat van de curator weliswaar niet verlangd kan worden dat hij medewerking verleent aan de uitoefening van de aan de pandhouder als separatist toekomende rechten, waaronder het recht om mededeling van de verpanding te doen, maar dat de curator de uitoefening van die rechten ook niet mag frustreren, evenmin als de pandgever dat buiten faillissement mag. Zou de informatieverplichting van de pandgever en de curator niet worden aanvaard, dan zou de bevoegdheid van de pandhouder om de verpande vorderingen na mededeling te innen volgens de Hoge Raad grotendeels illusoir worden, met als gevolg dat de figuur van de stille verpanding in de kern zou worden aangetast.5
De curator, en buiten faillissement de pandgever, dient de bedoelde informatie te verschaffen door de pandhouder de benodigde gegevens uit de administratie van de failliet te verstrekken, dan wel door hem daarin inzage te geven. De kosten die de curator in dit verband in redelijkheid maakt, dienen door de pandhouder aan de boedel te worden vergoed.6
Wat opvalt, is dat de onderbouwing van het oordeel door de Hoge Raad nauwelijks dogmatisch is, maar vooral is ingegeven door praktische argumenten. De Hoge Raad heeft (wederom) terecht veel oog voor de belangen die spelen in de financieringspraktijk. Het argument dat de uitoefening door de pandhouder van zijn inningsbevoegdheid zonder informatieplicht van de pandgever/curator grotendeels illusoir zou zijn en dat de figuur van het stil pandrecht op vorderingen in de kern zou worden aangetast, is naar mijn mening echter zeer overtrokken.7 De pandhouder kan immers bedingen dat de pandgever hem periodiek informeert door middel van de inzending van pandlijsten. In de praktijk gebeurt dit ook. Het is dan ook de vraag of het genoemde argument van voldoende gewicht is om tot de conclusie te komen dat de informatieplicht voortvloeit uit de aard en strekking van het stil pandrecht. Dit neemt niet weg dat het ook bij het gebruik van pandlijsten van groot belang kan zijn dat de pandhouder van de curator inzage kan vorderen in de administratie van de pandgever, bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of de pandlijsten nog actueel, juist en volledig zijn. Meer in het algemeen kan men zeggen dat het aanvaarden van een ook de faillissementscurator bindende informatieverplichting dienstig is aan het goed functioneren van de belangrijke figuur van het pandrecht op vorderingen op naam in het financiële verkeer. Bovendien verlaagt het de administratieve lasten die met een stille verpanding van vorderingen gemoeid zijn doordat het periodiek opstellen en toezenden van pandlijsten niet strikt noodzakelijk is. Met het oordeel van de Hoge Raad kan dus worden ingestemd.8 De uitspraak van de Hoge Raad sluit bovendien goed aan bij zijn jurisprudentie aangaande het bepaaldheidsvereiste9 en is een logisch complement daarvan.
Niettemin is het verstandig dat de pandhouder zich periodiek laat informeren over de bijzonderheden van de verpande vorderingen. Het is immers voor de pandhouder niet geheel risicoloos om te vertrouwen op de informatieplicht van de curator. De mogelijkheid bestaat immers dat de curator niet in staat of bereid is om de pandhouder spoedig te voorzien van de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren van de verpande vorderingen, met als gevolg dat schuldenaren nog bevrijdend kunnen betalen aan de boedel. De pandhouder behoudt weliswaar zijn voorrang op het geïnde,10 maar in geval van een negatieve boedel zal de pandhouder toch een verlies lijden.11
Hoewel het arrest van de Hoge Raad betrekking heeft op de stille verpanding, dient naar mijn mening te worden aangenomen dat er ook in geval van een openbare verpanding een informatieverplichting op de pandgever resp. diens faillissementscurator rust.12 Denk bijvoorbeeld aan het geval dat de verpanding is medegedeeld door de pandgever (bv. door middel van een mededeling van die strekking op een factuur) en dat de schuldenaren daarbij is vermeld dat zij behoudens tegenbericht bevrijdend aan hem kunnen blijven betalen, zonder dat de pandhouder de beschikking heeft over de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren. De pandhouder wil vervolgens de schuldenaren mededelen dat zij voortaan aan hem dienen te betalen. Uit dit voorbeeld blijkt dat het ook voor de uitoefening van een openbaar pandrecht, afhankelijk van de omstandigheden, van groot belang kan zijn dat de pandhouder gegevens uit de administratie van de pandgever worden verstrekt. In dit geval volgt de informatieverplichting naar mijn mening eveneens uit de aard en strekking van het pandrecht. Het aanvaarden van een informatieverplichting bij openbaar pandrecht op vorderingen op naam kan, evenals dat bij stil pandrecht het geval is, van wezenlijk belang zijn voor het naar behoren functioneren van deze rechtsfiguur.
Voorts mag worden aangenomen, ook al blijkt dit niet duidelijk uit het arrest, dat de informatieverplichting niet alleen betrekking heeft op de gegevens die de pandhouder nodig heeft om het pandrecht aan de schuldenaren te kunnen mededelen, maar tevens op andere gegevens die de pandhouder nodig heeft om de vorderingen te kunnen innen, zoals gegevens die hij nodig heeft om verweren van de schuldenaren te kunnen weerleggen.13
838. Uitwerking voor verpanding: het informatierecht volgt uit de aard en strekking van het pandrecht. Volgens de Hoge Raad vloeit de verplichting om inlichtingen te verschaffen voort uit de aard en strekking van het stil pandrecht. Hoewel dit oordeel naar mijn mening juist is, is de onderbouwing daarvan, zoals gezegd, niet geheel overtuigend. Dat het informatierecht voortvloeit uit het pandrecht kan mede op een andere, meer dogmatische wijze worden beargumenteerd. Uit de aard en strekking van het stil pandrecht op vorderingen op naam vloeit voort dat de pandhouder van de pandgever resp. diens faillissementscurator kan vorderen dat hij medewerking verleent aan de omzetting van een stil pandrecht in een openbaar pandrecht, voor zover de pandhouder daartoe niet zelfstandig in staat is. Meer in het algemeen geldt dat de pandgever – of preciezer: de rechthebbende van de verpande vordering – gehouden is, voor zover hij de vordering in zijn macht heeft en hij daartoe redelijkerwijs in staat is, om het de pandhouder mogelijk te maken de verpande vordering te innen, indien deze daartoe niet zelfstandig kan overgaan. Daarbij doet het niet ter zake of sprake is van een stil of openbaar pandrecht. Eenzelfde verplichting bestaat voor een derde die de vordering in zijn macht heeft. Dit recht houdt verband met de goederenrechtelijke aard van het pandrecht en het daarin besloten verhaalsrecht. Dit geldt ook indien deze verplichting niet uitdrukkelijk tussen de pandgever en de pandhouder is overeengekomen.14
De wet bepaalt niet dat de pandgever gehouden is medewerking te verlenen aan de omzetting van een stil pandrecht in een medegedeeld pandrecht. Wel bepaalt art. 3:239 lid 3 BW dat de pandhouder bevoegd is mededeling van het pandrecht te doen, indien de schuldenaar/pandgever in zijn verplichtingen tegenover de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat daarin tekortgeschoten zal worden.15 Daartoe is hij ook bevoegd in geval van het faillissement van de pandgever.16 Hierbij lijkt de wetgever te veronderstellen dat de pandhouder werkelijk in staat is om mededeling van zijn pandrecht te doen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet of de wettelijke bevoegdheid van de pandhouder om het pandrecht mede te delen, tevens voor de pandgever de verplichting met zich brengt om daaraan, voor zover nodig en mogelijk, medewerking te verlenen. De wetgever heeft de situatie dat de pandhouder niet de beschikking heeft over de persoons- en adresgegevens van de schuldenaar, waardoor hij niet in staat is om zelf mededeling te doen, vermoedelijk niet onder ogen gezien.
Een vergelijking met pandrecht op roerende zaken lijkt in dit verband zinvol.17Art. 3:239 lid 3 BW is de evenknie van art. 3:237 lid 3 BW dat aan de vuistloos pandhouder van een roerende zaak de bevoegdheid toekent om in geval van een tekortkoming van de schuldenaar/pandgever afgifte te vorderen van de aan hem verpande zaak. Het gaat om een ‘zakelijke’ actie van de pandhouder die evenals de revindicatieactie van de eigenaar tot doel heeft een einde te maken aan de feitelijke macht die de pandgever of een derde over de zaak uitoefent (het houderschap). Daarmee stelt de pandhouder zijn verhaalsrecht zeker. De pandgever en in faillissement diens curator zijn verplicht tot afgifte van de zaak. Het recht op afgifte behoort tot de inhoud, dan wel volgt uit de aard en strekking van het pandrecht. Na afgifte verkregen te hebben, valt de pandhouder aan te merken als de houder van de verpande zaak en de pandgever als de eigenaar en de middellijk bezitter.18
Welnu, het doen van mededeling van verpanding als bedoeld in art. 3:239 lid 3 BW dient hetzelfde doel: het in de macht van de pandhouder brengen van de verpande vordering teneinde het verhaalsrecht van de pandhouder zeker te stellen.19 Het past in het systeem van de wet om te aanvaarden dat de pandgever of een derde die de vordering in zijn macht heeft op grond van het pandrecht gehouden is om medewerking te verlenen aan het uit zijn macht brengen van de verpande vordering. Daartoe komt de pandhouder, evenals de pandhouder van een roerende zaak, een goederenrechtelijke actie toe die in geval van stil pandrecht als een sequeel is te beschouwen van de bevoegdheid om het pandrecht mede te delen20 en in geval van een openbaar pandrecht als een sequeel van de bevoegdheid om de verpande vordering te innen. Evenals de opvorderingsactie van de pandhouder van een roerende zaak, is deze actie gericht op het beëindigen van de feitelijke macht die de pandgever of een derde over de verpande vordering uitoefent. De actie mag ruim worden opgevat en omvat mede het recht op gegevens die de pandhouder nodig heeft om de vordering adequaat te kunnen innen, zoals gegevens waarmee verweren van de schuldenaar kunnen worden weerlegd.21 De pandgever moet de pandhouder in staat stellen die macht over de vordering uit te oefenen die hij zelf over de vordering had.
Hetzelfde geldt in geval van een openbaar pandrecht op vorderingen op naam. Ook dan kan het afhankelijk van de omstandigheden zo zijn dat de pandgever of een derde de vorderingen nog in zijn macht heeft (i.e. de pandgever int de vorderingen met toestemming van de pandhouder) en dat de pandhouder de inning van de vorderingen ter hand wil nemen, terwijl hij niet de beschikking heeft over de vereiste gegevens om zelfstandig mededeling te kunnen doen of om de vordering adequaat te innen. Ook de openbaar pandhouder komt een goederenrechtelijke actie toe gericht op het in zijn macht brengen van de verpande vordering.
Het voorgaande betekent dat de pandgever gehouden is de voor de mededeling en inning relevante gegevens aan de pandhouder ter hand te stellen of anderszins medewerking te verlenen aan de mededeling van de verpanding, bijvoorbeeld door deze mededeling mede namens de pandhouder te verrichten.22 De pandgever kan er echter niet eenzijdig voor kiezen om zelf mededeling van verpanding te doen zonder de pandhouder van de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren te voorzien.23 Na mededeling is de pandhouder exclusief bevoegd om in en buiten rechte voldoening van de verpande vorderingen te eisen en om betalingen in ontvangst te nemen (art. 3:246 leden 1 en 4 BW). Deze bevoegdheden van de pandhouder brengen met zich dat de pandgever, indien de pandhouder daarom verzoekt, gehouden is om de persoons- en adresgegevens aan de pandhouder ter hand te stellen.24 De pandhouder moet immers in staat worden gesteld om de vorderingen zelfstandig te innen, dusdanig dat de vorderingen in zijn macht zijn.
De bevoegdheid om mededeling van het pandrecht te doen en om de verpande vordering te innen, alsmede het daaraan als sequeel verbonden recht op de daarvoor benodigde medewerking en informatie, zijn van goederenrechtelijke aard en kunnen ook worden uitgeoefend tijdens het faillissement van de pandgever. De pandhouder kan zijn recht immers uitoefenen alsof er geen faillissement is (art. 57 lid 1 Fw).25 Deze bevoegdheden kunnen derhalve door de pandhouder worden tegengeworpen aan de curator van de pandgever.26 De verplichtingen die voor de failliet uit het pandrecht voortvloeien, dienen door de curator op grond van art. 25 Fw te worden nagekomen.27 Laat de curator dat na dan begaat hij qualitate qua een onrechtmatige daad jegens de pandhouder.
Uit het arrest Hamm q.q./ABN-AMRO blijkt niet dat de Hoge Raad het informatierecht plaatst in de sleutel van de hier beschreven goederenrechtelijke opvorderingsactie. Over de dogmatische onderbouwing van zijn oordeel maakt de Hoge Raad zich niet zo druk. Het arrest sluit de hier beschreven benadering echter niet uit.
839. Uitwerking voor cessie: actie analoog aan de revindicatie. Het lijdt mijns inziens geen twijfel dat de door de Hoge Raad voor de stille verpanding geformuleerde regel van overeenkomstige toepassing is op de stille cessie.28 De faillissementscurator van de cedent is gehouden om de cessionaris, tegen vergoeding van de in redelijkheid te maken kosten, de gegevens te verschaffen die deze nodig heeft om de cessie aan de schuldenaar te kunnen mededelen en om de vordering (effectief) te kunnen innen.29 Ook voor de stille cessie geldt dat de faillissementscurator van de cedent het aan de cessionaris als separatist toekomende recht om de cessie aan de schuldenaar mede te delen en de vordering na mededeling te innen, niet mag frustreren, evenmin als de cedent dat buiten faillissement mag. En ook het argument dat de bevoegdheid om de vorderingen te innen illusoir zou worden en dat de figuur van de stille verpanding in de kern zou worden aangetast, indien geen informatieverplichting zou worden aangenomen, gaat in gelijke mate op voor de stille cessie.30
Wel rijst de vraag wat bij de stille cessie de grondslag is van de informatieverplichting van de faillissementscurator. De grondslag lijkt niet te kunnen worden gevonden in de aard en strekking van de stille cessie, in de zin dat het informatierecht behoort tot de inhoud van het recht dat de cessionaris met betrekking tot de vordering heeft. De cessie, op te vatten als de leveringshandeling, is immers gericht op de overdracht van de volle gerechtigdheid tot de vordering. Anders dan bij pandrecht kan niet worden aangenomen dat het informatierecht van de cessionaris voortvloeit uit de aard en strekking van diens gerechtigdheid tot de vordering, aangezien een stille cessie geen wijziging brengt in de omvang van de gerechtigdheid tot de vordering zoals die voor de cessie toekwam aan de cedent en daarna aan de cessionaris.31
Hiervoor is betoogd dat in geval van de verpanding van vorderingen op naam een vergelijking kan worden gemaakt met pandrecht op roerende zaken. Voor de cessie kan een soortgelijke vergelijking worden gemaakt met de revindicatie van roerende zaken die zich in de macht van de failliet bevinden. De curator is in beginsel gehouden medewerking te verlenen aan de afgifte van de zaken aan de eigenaar.32 Vorderingen die rechtsgeldig zijn gecedeerd, maar die aanvankelijk door de cedent ten behoeve van de cessionaris worden geïnd, worden “uit de macht” van de cedent gebracht doordat aan de schuldenaren wordt medegedeeld dat de vorderingen zijn overgedragen en dat zij voortaan aan de cessionaris dienen te betalen. Aangezien de cedent en ook diens faillissementscurator het “eigendomsrecht” van de cessionaris met betrekking tot de vorderingen dienen te respecteren, zijn zij, evenals in geval van een revindicatie, gehouden medewerking te verlenen aan het doen van mededeling. Daartoe komt de cessionaris een goederenrechtelijke actie toe analoog aan de revindicatie.33 Dit brengt met zich dat de curator aan de cessionaris de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren dient te verstrekken, zodat de cessionaris mededeling van cessie kan doen, dan wel dat de curator in overleg met de cessionaris de cessie zelf mededeelt.34 Ook dient de curator de cessionaris te voorzien van alle overige gegevens die van belang kunnen zijn voor een adequate inning van de vorderingen, zoals gegevens waarmee de cessionaris verweren van de schuldenaren kan weerleggen. De cessionaris moet zoveel als mogelijk in staat worden gesteld om die macht over de vordering uit te oefenen, die de cedent/curator zelf over de vordering kan uitoefenen. Van deze verplichting kan de cessionaris op de voet van art. 25 Fw nakoming van de curator vorderen. Indien de curator deze verplichting niet of niet tijdig nakomt, begaat hij qualitate qua een onrechtmatige daad jegens de cessionaris.35
Het voorgaande geldt niet alleen voor de stille cessie, maar ook voor de openbare cessie. Ook in geval van een openbare cessie is het mogelijk dat de cedent de vorderingen op grond van een lastgeving ter incasso ten behoeve van de cessionaris blijft innen dusdanig dat de vorderingen zich nog in zijn macht bevinden. De cessionaris komt dan eveneens een goederenrechtelijke actie toe gericht op het in zijn macht brengen van de vorderingen. Bovendien geldt dat de hier besproken goederenrechtelijke actie niet alleen kan worden ingesteld jegens de cedent en diens faillissementscurator, maar ook jegens (de curator van) een derde die de vordering in zijn macht heeft (bv. een onderlasthebber).
De bepalingen van titel 3.5 BW over bezit en houderschap gelden niet alleen voor zaken, maar voor alle goederen waaronder vorderingen op naam.36 In het normale geval kan de rechthebbende van een vorderingsrecht tevens worden aangemerkt als de bezitter daarvan. Hij oefent ten behoeve van zichzelf de feitelijke macht over de vordering uit, hetgeen onder meer tot uiting kan komen in de inning van de vordering, het geven van kwijtschelding, het verlenen van uitstel van betaling e.d. Indien de cedent na de cessie de vordering ten behoeve van de cessionaris blijft beheren en innen, kan de cedent worden aangemerkt als de houder van het vorderingsrecht. Hij blijft de feitelijke macht over de vordering uitoefenen ten behoeve van de cessionaris. Indien de cedent vanwege zijn faillissement in zijn verhouding tot de cessionaris niet meer bevoegd is de vordering te innen37 en de curator bovendien weigert de cessionaris in staat te stellen de inning van de vordering over te nemen, maar daarentegen de vordering zelf blijft innen, dan zou men kunnen spreken van een onbevoegde detentie van de vordering door de curator.38
De revindicatievordering van de eigenaar van een zaak is erop gericht een einde te maken aan het onbevoegde houderschap (of bezit) van de persoon die de zaak feitelijk in zijn macht heeft (art. 5:2 BW). Hoewel alleen van revindicatie wordt gesproken in geval van zaken in de zin van art. 3:2 BW, heeft mijns inziens de rechthebbende van een vorderingsrecht een soortgelijke goederenrechtelijke opvorderingsactie ten opzichte van degene die het vorderingsrecht zonder recht houdt.39 Ook deze actie is gericht op het beëindigen van een onbevoegd houderschap. Voor het genoemde voorbeeld betekent dit dat de curator van de failliete cedent gehouden is de feitelijke macht over de vordering weer te doen toekomen aan de cessionaris door deze in staat te stellen de vordering te innen, bijvoorbeeld door de persoons- en adresgegevens van de schuldenaar aan de cessionaris ter hand te stellen zodat hij mededeling van cessie kan doen.
840. Onrechtmatige daad als grondslag voor het informatierecht? Biemans is van mening dat het recht van de cessionaris/pandhouder op informatie gebaseerd kan worden op het leerstuk van de onrechtmatige daad (art. 3:296 jo 6:162 BW). Volgens de auteur rust op degene die informatie met betrekking tot de gecedeerde of verpande vordering onder zich heeft (waaronder ook faillissementscurator van de cedent/pandgever), de rechtsplicht om deze informatie aan de (beperkt) gerechtigde tot de vordering te geven, voor zover deze bij het achterwege blijven daarvan wordt belemmerd of gefrustreerd in de uitoefening van zijn recht. Het niet verschaffen van de informatie zou, behoudens voor zover daarvoor een rechtvaardiging bestaat, een inbreuk zijn op het recht dat de rechthebbende met betrekking tot de vordering heeft en daarmee een onrechtmatige daad.40
Naar mijn mening is deze stelling in zijn algemeenheid onjuist. Het enkele feit dat iemand weigert informatie aan de cessionaris/pandhouder te geven die deze nodig heeft voor de uitoefening van diens bevoegdheden, is ten opzichte van de cessionaris/pandhouder niet aan te merken als een inbreuk op diens recht en evenmin als een schending van een zorgvuldigheidsnorm. Een dergelijk nalaten is namelijk geabstraheerd van de cessie of verpanding, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet als een onrechtmatige daad te kwalificeren.41 Indien de cedent/pandgever de benodigde informatie niet verschaft, is dit uitsluitend een schending van een contractueel bedongen informatieverplichting of een schending van een ‘zakelijke’ verplichting die verband houdt met of voortvloeit uit het goederenrechtelijke recht dat de cessionaris of pandhouder met betrekking tot de vordering heeft (zie hiervoor).42 De schade die de cessionaris/pandhouder mogelijk lijdt als gevolg van de niet-nakoming door de cedent/pandgever of diens curator van de ‘zakelijke’ verplichting kan wel op grond van onrechtmatige daad gevorderd worden. Degene die de vordering zonder recht in zijn macht heeft en er aan weigert mee te werken de vordering in de macht van de cessionaris/pandhouder te brengen, maakt inbreuk op het recht dat de cessionaris/pandhouder met betrekking tot de vordering heeft en is gehouden de schade die de cessionaris/pandhouder daardoor lijdt te vergoeden. De grondslag van het informatierecht zelf is evenwel gelegen in, dan wel houdt verband met het goederenrechtelijke recht dat de cessionaris/pandhouder ten aanzien van de vordering heeft.
841. Gegevens onder derden. De hiervoor besproken ‘revindicatoire’ acties kunnen enkel worden ingesteld jegens personen die de gecedeerde of verpande vordering(en) in hun macht hebben. Behalve aan de cedent/ pandgever en diens faillissementscurator kan daarbij ook worden gedacht aan een derde die de vorderingen bijvoorbeeld op grond van een (onder) lastgeving ten behoeve van de cedent/pandgever al dan niet op eigen naam int, zoals een incassobureau, administratiekantoor of een (in house) factormaatschappij.43 Indien de persoons- en adresgegevens zich onder een derde bevinden die enkel de administratie van de vorderingen voert, maar niet belast is met de inning van de vorderingen en dus geen macht over de vorderingen uitoefent, dan zal de cessionaris/pandhouder tegenover deze derde geen beroep kunnen doen op een informatierecht. Als de derde weigert de persoons- en adresgegevens te verschaffen, dan levert dat in beginsel ook geen onrechtmatige daad op (zie hiervoor). Onder bijzondere omstandigheden kan dat echter anders zijn.44
842. Art. 6:143 BW en art. 3:15j BW. Voorts zij erop gewezen dat de cessionaris ten opzichte van de curator ook een beroep kan doen op art. 6:143 BW. Zoals vermeld, kan de cessionaris blijkens deze bepaling jegens de cedent aanspraak maken op afgifte van de op de vordering en haar nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken. Deze bewijsstukken zijn voor de cessionaris van belang om zich een beeld te kunnen vormen van de omvang en inhoud van de vordering en voor het bewijs van de vordering ten opzichte van de schuldenaar. Bovendien zullen deze bescheiden over het algemeen ook de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren bevatten. Het lijdt mijns inziens geen twijfel dat ook de curator gehouden is – behoudens het bepaalde in de tweede zin – om de bewijsstukken aan de cessionaris af te geven. Dit volgt uit het feit dat hij de cessie dient te respecteren.
Zoals hiervoor betoogd, kan naar mijn mening ook de pandhouder een beroep op de bepaling doen.
Tot slot zij opgemerkt dat de cessionaris of pandhouder ook inzage in de administratie van de cedent/pandgever kan vorderen op grond van het bepaalde in art. 3:15j BW. Verwezen zij naar hetgeen daarover in § 11.3.2 is opgemerkt.45