Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.1
2.1 WETBOEK VAN 1926: WETGEVER ALS VORMGEVER VAN HET STRAFPROCES
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616701:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Cleiren & Mevis 1996, p. 189 spreken in dit verband van het ‘dubbelzijdig karakter’ van strafvorderlijke bevoegdheden: de wettelijke regeling creëert de bevoegdheid en bakent deze tegelijk af.
Kamerstukken II, 1913/14, 286, nr. 3, p. 9-10.
Kamerstukken II, 1913/14, 286, nr. 3, p. 9-10.
Vgl. Baaijens-van Geloven 2004, p. 341. Zij spreekt van de ‘traditionele spanning tussen waarheidsvinding enerzijds en bescherming van persoonlijke vrijheidsrechten anderzijds’.
Dit kwam bijv. ook tot uitdrukking in de gronden voor cassatie. Tot 1963 kon de HR ex art. 99 RO alleen casseren wegens schending of verkeerde toepassing van de wet, wegens verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of overschrijding van rechtsmacht. Sinds de aanpassing van deze bepaling in 1963 is cassatie mogelijk wegens schending van het recht, met uitzondering van het recht van vreemde staten en wegens verzuim van vormen voor zover de niet inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. Zie daarover bijv. Van Dorst 2012, p. 161-162 en Corstens & Fokkens 2013.
Illustratief is het antwoord van de minister van Justitie Heemskerk op de vraag van Kamerlid Van Doorn of het voorschrift betreffende het aantal rechters waaruit de raadkamer dient te bestaan, met nietigheid moest zijn bedreigd: ‘De geachte afgevaardigde vraagt wat nietigheid beteekent. Dat beteekent, dat, indien de bepaling is overtreden, het vonnis cassabel is en de Hooge Raad de zaak dan naar een anderen rechter moet terugwijzen. Dat is, dunkt mij, ook de wijze, waarop de zaak zich in de practijk zal moeten redden. Het zal natuurlijk enig ongerief geven, maar, indien men dat niet bepaalt, blijft het voorschrift een nudum praeceptum.’, Handelingen II, 1919/20, 18, p. 1926.
Zie bijv. de toelichting bij (thans) art. 255 lid 4 Sv betreffende de mogelijkheid om na verzuim van een termijn voor kennisgeving van wel of geen verdere vervolging, nog eenmaal een nieuwe termijn te stellen: ‘Een uitzondering is in het nieuwe vierde lid gesteld, ten einde rekening te kunnen houden met een eventueel dringenden eisch van het algemeen belang. Een wellicht zeer gevaarlijke misdadiger dient aan zijn gerechte straf niet te ontkomen als een gevolg van het verzuim van een termijn door rechter of openbaar ministerie. Dit ware geheel misplaatst formalisme. Daarom is aan het openbaar ministerie de gelegenheid gegeven te vorderen, dat een nieuwe termijn voor verdere vervolging of kennisgeving van niet verdere vervolging zal worden gesteld.’, Kamerstukken II, 1919/20, Nota van Wijzigingen (18), nr. 1, p. 11.
Volgens deze bepalingen moest de RC wat betreft het GVO (art. 199) of anders de rechtbank (art. 256) wanneer op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen waren verzuimd voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, zo mogelijk het herstel van het verzuim bevelen. Bij verzuim van vormen waarop geen nietigheid was gesteld, was de RC of de rechtbank daartoe bevoegd, maar niet verplicht. Zie nader over de betekenis van deze bepalingen Blok en Besier 1925, p. 519-523 en p. 617-621 en Kooijmans, in: Wetboek van Strafvordering / IISS Melai-Groenhuijsen e.a., commentaar op art. 256 Sv (online, laatst bijgewerkt 1 oktober 2006).
Zie Blok en Besier 1925, p. 618-619.
Zie Kooijmans, in: Wetboek van Strafvordering – Melai/Groenhuijsen, aant. 7 bij art. 256 Sv, (online, laatst bijgewerkt 1 oktober 2006). Aan deze gedachte is in de jurisprudentie, zoals Kooijmans terecht doch niet zonder gevoel voor understatement constateert ‘niet onverkort vastgehouden’.
Toedeling en begrenzing van bevoegdheden in het strafproces; dat werd bij het ontwerpen van het in 1926 ingevoerde Wetboek van Strafvordering als de kern gezien.1 De minister van Justitie zocht een compromis tussen de vaak tegenstrijdige belangen van een doelmatige opsporing en vervolging enerzijds en bescherming van de samenleving als geheel tegen inbreuken op individuele rechten en vrijheden anderzijds. Een doelmatige opsporing en vervolging is gediend met ruime bevoegdheden van politie en justitie, maar individuele rechten en vrijheden worden beperkt door uitoefening van deze bevoegdheden. De minister meende in dit spanningsveld een goed compromis te hebben gevonden door ‘vertrouwende op het beleid der personen, die met de vervolgingstaak zijn belast’ hen alle noodzakelijke bevoegdheden te geven, de uitoefening van die bevoegdheden voor zover mogelijk te stellen ‘onder de contrôle van den onafhankelijken rechter’ en door aan de verdediging ‘zooveel rechten [te] verlenen als met het belang van het onderzoek slechts even bestaanbaar is’. Alleen op die wijze kon in de visie van de minister ‘eene krachtige repressie’ worden verkregen en toch worden verzekerd, dat zij niet meer dan nodig individuele rechten aantast.2 De grondtrekken waren daarmee geformuleerd, maar over de precieze concrete invulling kon worden gedebatteerd:
‘Soms zal men de rechten van de vervolgende partij moeten beperken, omdat de gevaren voor mogelijk misbruik te groot lijken tegenover de in aanmerking komende belangen; een andermaal zullen rechten van den verdachte aan beperkende voorschriften moeten worden gebonden, omdat vrije uitoefening het belang van het onderzoek te zeer zoude kunnen benadeelen. Het blijft bij dit alles een wikken en wegen, een geven en nemen. Bij de beslissing zal verschil van inzicht niet kunnen uitblijven. De een zal de grens anders trekken dan de ander.’3
Op deze passage heeft de tijd geen vat gekregen, zo kan honderd later jaar worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor het destijds gezochte compromis tussen doelmatige waarheidsvinding en adequate rechtsbescherming. Een behoorlijke inrichting van het strafproces eist in de kern nog steeds het zoeken naar een evenwicht tussen het belang van een daadkrachtige opsporing en vervolging en het belang van bescherming van ieders individuele rechten. 4 Hoe de rechter bij het waarborgen van dat evenwicht een zwaardere verantwoordelijkheid heeft gekregen, wordt straks nader toegelicht: eerst nog even terug in de tijd.
Het Wetboek van Strafvordering van 1926 kon als een gesloten systeem worden beschouwd. Bij de toepassing van de wet in de praktijk en de daarvoor noodzakelijke interpretatie bleef de rechter dicht bij de tekst van de wet. Van toetsing door de rechter aan buiten de wet gelegen normen was geen sprake. De rechter werd in de jaren twintig van de vorige eeuw dan ook nog veel meer beschouwd als ‘bouche de la loi’, de mond waarmee de wet spreekt, en de Hoge Raad vooral als bewaker van een juiste wetstoepassing en daarmee van de rechtseenheid.5
In die constellatie lag voor de hand dat de wetgever bepaalde wat het gevolg was van de niet-naleving van een wettelijke regel. In het Wetboek van Strafvordering verbond de wetgever aan schending van bepaalde wettelijke regels de nietigheid van (het resultaat van) de desbetreffende handeling.6 In de gevallen waarin de wetgever kon voorzien dat dit rechtsgevolg onder omstandigheden onaanvaardbaar was, voorzag hij in de wet in de mogelijkheid een uitzondering te maken.7 Naast de nietigheid kende de wet de niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ als rechtsgevolg. De rechter moest de niet-ontvankelijkheid uitspreken in gevallen waarin volgens de wet geen vervolging (meer) mocht plaatsvinden. In de wet waren zowel de regels als de rechtsgevolgen van regelschending vastgelegd. In belangenafweging door de rechter bij de toepassing van die rechtsgevolgen voorzag de wet niet of nauwelijks.
Een ander kenmerk van het oorspronkelijke wettelijke stelsel was de wal die de art. 199 en 256 Sv opwierpen tussen het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting.8 Zodra het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen, kon op verzuim van vormen bij het voorbereidend onderzoek geen beroep meer worden gedaan. Eventuele vormverzuimen werden, met uitzondering van enkele in het tweede lid van art. 256 Sv genoemde gevallen, voor gedekt gehouden.9 Waar de minister in de memorie van toelichting sprak van het ‘onder de contrôle van den onafhankelijken rechter’ stellen, had hij dan ook niet het oog op de zittingsrechter, maar op de RC in het (toen nog bestaande) gerechtelijk vooronderzoek. De wetgever overwoog met deze cesuur tussen het voorbereidende onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting te hebben ‘getracht om de materieele belangen niet door zuiver formeele eischen in gevaar te brengen’.10
Beide kenmerken van de oorspronkelijke wettelijke regeling – de geslotenheid en de wal tussen voorbereidend onderzoek en terechtzitting – zijn grotendeels tenietgedaan. Tegenwoordig kan op veel vormfouten in het voorbereidende onderzoek een beroep worden gedaan ter terechtzitting en is het niet de wet, maar de rechter die in verreweg de meeste gevallen het rechtsgevolg van een vormfout bepaalt.