Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.5.3
VII.5.3 De aansprakelijkheid van de ‘rechtspersoon als bestuurder’
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242890:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zoals ik in voetnoot 542 al schreef, ga ik er in deze paragraaf van uit dat de rechtspersoon een NV of een BV bestuurt.
Idem Lennarts 2017, p. 164.
Zie Kamerstukken I 1983/84, 16 631, 27b, p. 22 (MvA). Dit is tevens de heersende opvatting, zie bijvoorbeeld Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 15, p. 270; Hanegraaf 2017, p. 191-193; en Lennarts 2017, p. 164. Lennarts wijst er terecht op dat de tekst van art. 2:11 BW anders doet vermoeden, zie Lennarts 2017, p. 164.
De feitelijk bestuurder wordt genoemd in art. 2:138/248 lid 7 BW en 2:216 lid 4 BW.
HR 14 maart 2008, NJ 2008, 466 m.nt. Maeijer; JOR 2008/152 m.nt. Borrius (Lammers/Aerts q.q.). In het verlengde hiervan komt de vraag op of art. 2:11 BW de aansprakelijkheid doorschakelt naar de feitelijke bestuurders van de rechtspersoon-bestuurder. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag in Montedison ontkennend, zie HR 28 april 2000, NJ 2000, 411; JOR 2000/128 (Montedison). Voor de indirecte niet-uitvoerende bestuurder is dit niet interessant. Hij heeft immers de hoedanigheid bestuurder. Voor een bespreking van het arrest Montedison verwijs ik naar Hanegraaf 2017, p. 124-129.
Aldus ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 15, p. 271-273.
Zie onder anderen Van Bekkum, in zijn noot onder Hof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2014, JOR 2015/3; Lennarts 1999, p. 262 e.v., die haar standpunt herhaalt in Lennarts 2017, p. 167-168 en 174; en Roest, in haar noot onder Rb. ‘s-Gravenhage 16 september 2015, JOR 2016/3.
Zie onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze, 2-I* 2015/212; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 476; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 15, p. 270; Bulten & Leijten 2013, p. 179; Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:11 BW, aant. 6.5; en Kroeze & Wezeman 2016, p. 221-222. Zie Kamerstukken I 1983/84, 16 631, 27b, p. 22 (MvA) voor de opvatting van Korthals Altes.
HR 17 februari 2017, NJ 2017, 215 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2017/121 m.nt. Leijten (Le Roux). Zie voor een kritische beschouwing van dit arrest Hanegraaf 2017, p. 209-219.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat dit slechts geldt indien de eisende partij de indirecte bestuurder via art. 2:11 BW aanspreekt. Gebruikt hij art. 2:11 BW niet, dan is de indirecte bestuurder slechts op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk indien de eisende partij stelt en zo nodig bewijst dat de indirecte bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft, zie HR 23 mei 2014, NJ 2014, 325 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/229 m.nt. Van Bekkum (Kok/Maas q.q.). Idem Leijten, in zijn noot onder HR 17 februari 2017, JOR 2017/121 (Le Roux).
HR 17 februari 2017, NJ 2017, 215; JOR 2017/121 (Le Roux).
Zoals vermeld, geldt een uitzondering voor de aansprakelijkheid van art. 2:93/203 BW.
Aldus ook Hanegraaf 2017, p. 145, die zijn standpunt herhaalt in Hanegraaf, MvO 2019, afl. 1-2, p. 23.
Zie § VII.3.3.1.
Evenzo Hanegraaf, MvO 2019, afl. 1-2, p. 23.
Hiervoor betoogde ik dat de indirecte niet-uitvoerende bestuurder onder het bereik van art. 2:11 BW valt. Ik acht het daarom van belang na te gaan wat onder de woorden ‘de aansprakelijkheid van de rechtspersoon als bestuurder’ in art. 2:11 BW moet worden verstaan. Welke aansprakelijkheden van de besturende rechtspersoon vallen nu precies onder de werkingssfeer van art. 2:11 BW? En schakelt art. 2:11 BW ook de aansprakelijkheid van de feitelijke rechtspersoon-bestuurder door?
Zoals ik hiervoor al schreef, bevat art. 2:11 BW geen zelfstandige aansprakelijkheidsnorm. Art. 2:11 BW breidt slechts de gevestigde aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder uit naar de indirecte niet-uitvoerende bestuurder. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder kan gebaseerd zijn op alle in de vorige paragrafen besproken wettelijke aansprakelijkheidsgronden, met uitzondering van art. 2:93/203 BW.1 De reden is dat de aansprakelijkheid van art. 2:93/ 203 BW geen aansprakelijkheid van de bestuurders betreft, maar van degenen die namens de vennootschap in oprichting handelden.2 Een contractueel overeengekomen aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder valt eveneens buiten het bestek van art. 2:11 BW.3
Of de aansprakelijke rechtspersoon-bestuurder de hoedanigheid van statutair dan wel feitelijk bestuurder heeft, is niet relevant.4 De Hoge Raad oordeelde in Lammers/Aerts q.q dat art. 2:11 BW de aansprakelijkheid tevens op de formele bestuurders van de aansprakelijke feitelijke rechtspersoon-bestuurder legt.5
Dat alle wettelijke bestuurdersaansprakelijkheidsgrondslagen in aanmerking komen voor doorschakeling op grond van art. 2:11 BW, was tot voor kort niet zonneklaar. In de literatuur bestond discussie over het antwoord op de vraag of art. 2:11 BW ook de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder op grond van onrechtmatige daad doorschakelt. Zoals ik in al § VII.4.2.1 al schreef, is de aansprakelijkheid van art. 6:162 BW individueel van aard. Dit betekent dat de bestuurder slechts aansprakelijk is indien de eisende partij stelt en zo nodig bewijst dat hij persoonlijk de aansprakelijkheidsnorm heeft geschonden. Art. 2:11 BW gaat daarentegen uit van een collectieve aansprakelijkheid van de indirecte bestuurders.6
In de literatuur is daarom wel verdedigd dat art. 2:11 BW zich niet voor toepassing leent indien de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad.7 Toepassing van art. 2:11 BW heeft in dat geval namelijk tot gevolg dat de indirecte bestuurders in een slechtere processuele positie verkeren dan de directe bestuurders van de vennootschap. De directe bestuurders – waaronder de rechtspersoon-bestuurder – zijn slechts individueel aansprakelijk, terwijl de indirecte bestuurders via art. 2:11 BW collectief aansprakelijk zijn. Er zijn ook auteurs die een ander geluid laten horen. Net als toenmalig minister Korthals Altes hebben zij geen bezwaar tegen de doorschakeling van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder op grond van onrechtmatige daad.8
De Hoge Raad maakte in 2017 een einde aan deze discussie. Ons hoogste rechtscollege oordeelde in lijn met de heersende opvatting dat art. 2:11 BW toepassing vindt indien de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd op art. 6:162 BW.9 Dit betekent dat de eisende partij niet hoeft te stellen en bewijzen dat de indirecte bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft.10 De indirecte bestuurder is via art. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk, tenzij hij stelt en zo nodig bewijst dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. Volgens de Hoge Raad doet deze bewijslastverdeling recht aan zowel de ratio van art. 2:11 BW als aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW.11
Wat betekent dit alles nu voor de niet-uitvoerende bestuurder? De wettelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder wordt mijns inziens via art. 2:11 BW doorgeschakeld naar de indirecte niet-uitvoerende bestuurder.12 Het is daarbij om het even of de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder collectief dan wel individueel van aard is.13
De niet-uitvoerende bestuurder heeft evenwel de mogelijkheid zich aan aansprakelijkheid te onttrekken. Een voorwaarde is dan wel dat de wettelijke bepaling waaruit de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder voortvloeit, in een disculpatiemogelijkheid voorziet. Spreekt de eisende partij de indirecte niet-uitvoerende bestuurder aan ex art. 2:9 jo. 2:11 BW, dan kan laatstgenoemde zich aan aansprakelijkheid onttrekken indien hij aantoont dat hem geen ernstig verwijt treft en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijke bestuur af te wenden.14 Een disculpatiemogelijkheid ontbreekt indien art. 2:11 BW de aansprakelijkheid van art. 2:69/180 lid 2 BW naar de indirecte niet-uitvoerende bestuurder doorschakelt.15
Wat is rechtens indien de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd op art. 6:162 BW? Mijns inziens geldt de rechtsregel uit het arrest Le Roux onverkort voor vennootschappen met een one tier board.16 Dit brengt mee dat de indirecte niet-uitvoerende bestuurder via art. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk is zodra vaststaat dat de rechtspersoon-bestuurder een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De indirecte niet-uitvoerende bestuurder heeft niettemin de mogelijkheid zich van aansprakelijkheid te onttrekken. Hij dient in dat kader aan te tonen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.