Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.5
10.4.5 Toerekening van gedraging aan rechtspersoon impliceert geen eigen onrechtmatige daad
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343664:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011/90; HR 11 november 2005, NJ 2007, 231m.nt.J.B.M. Vranken en JOR 2006/90 (Voorsluijs).
HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011/203.
HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M).
HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 m.nt. J.B.M. Vranken en JOR 2006/90 (Voorsluijs), r.o. 3.5 en HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 (IJzerdraad). De mogelijkheid dat handelen van de rechtspersoon aan de natuurlijk persoon wordt toegerekend wanneer “de betrokken handeling aan zijn schuld is te wijten, dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt”, zoals overwogen in HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M), lijkt mij dan ook ongelukkig geformuleerd. Uit het persoonlijk verwijt blijkt reeds dat de natuurlijk persoon dan zelf primair onrechtmatig heeft gehandeld.
Bij toerekening van een gedraging of wetenschap aan de rechtspersoon hoeft geen sprake te zijn van een eigen onrechtmatige gedraging van de feitelijk handelende persoon. Zo kan een rechtspersoon aansprakelijk zijn voor gedragingen van een werknemer of bestuurder die zelf niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde.1 Heeft de werknemer of bestuurder niet zelf onrechtmatig gehandeld en/of was er ook geen (geobjectiveerde) kennis van benadeling, dan zal de werknemer of bestuurder niet zelf aansprakelijk zijn.
Dit kan echter leiden tot een onwenselijke situatie. Een feitelijke handeling van een werknemer, niet-ondergeschikte, vertegenwoordiger en/of bestuurder kan weliswaar niet persoonlijk verwijtbaar zijn (waardoor evenmin kwalitatieve aansprakelijkheid ex artt. 6:170-172 BW mogelijk is, omdat daarvoor allereerst een eigen onrechtmatige daad is vereist), het kan nog wel steeds tot schade leiden bij een derde. Het kan daarbij redelijk zijn dat deze schade in de verhouding tussen die derde en de (rechts)persoon, namens wie is gehandeld door de werknemer, niet-ondergeschikte, vertegenwoordiger en/of bestuurder, voor rekening van die rechtspersoon komt.
Een goed voorbeeld hiervan is het in par. 10.3 besproken arrest Staat en Van Hilten/M.2 De officier van justitie kon geen eigen onrechtmatige gedraging worden verweten, omdat zulks alleen maar het geval kan zijn wanneer deze gedraging “aan zijn schuld is te wijten, dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.” Daarvan was geen sprake. De officier had volgens de Hoge Raad niet persoonlijk een rechtsnorm geschonden, omdat niet gezegd kon worden dat de rechtsopvatting waar de officier van justitie zijn bevel op baseerde ten tijde waarop hij dat bevel gaf, zo onaannemelijk was dat hem een verwijt ervan kon worden gemaakt dat hij, uitgaande van die rechtsopvatting, dat bevel had gegeven. Maar dat nam niet weg dat de officier ten onrechte een bevel had gegeven ten nadele van de verdachte. Deze gedraging van de officier diende aan de Staat te worden toegerekend en kon als een onrechtmatige daad van de Staat worden aangemerkt, omdat de onzekerheid over de rechtsopvatting waarop het bevel was gebaseerd voor rekening van de Staat diende te komen. De toerekeningsleer van Kleuterschool Babbel bood dus soelaas voor de verdachte. De rechtspersoon kan op grond van onrechtmatige daad dus aansprakelijk zijn voor gedragingen van een natuurlijk persoon (al dan niet bestuurder), terwijl die natuurlijk persoon zelf geen rechtsnorm heeft geschonden jegens de benadeelde.3
Voorstelbaar is ook dat gedragingen en wetenschap van verschillende personen aan de rechtspersoon worden toegerekend die op zichzelf en ieder afzonderlijk beschouwd niet onrechtmatig zijn, maar die, in combinatie na toerekening van zowel die gedragingen als die wetenschap aan de rechtspersoon, deze kwalificatie wel rechtvaardigen.4 Dit is een logisch gevolg van de juridische abstractie van de rechtspersoon. Gelet op het feit dat een rechtspersoon als een zelfstandig rechtssubject kan optreden in het maatschappelijk verkeer, welk optreden de facto uitsluitend mogelijk is door toedoen van een of meer natuurlijk personen, moet gewerkt worden met de abstractie dat de wetenschap en gedragingen van meerdere individuele natuurlijk personen als het ware worden ‘samengesmolten’ tot de gedraging en wetenschap van één persoon, zijnde de rechtspersoon. Deze rechtspersoon kan als gevolg van deze ‘samensmelting’ een onrechtmatige daad worden verweten, zonder dat de gedragingen van de daarbij betrokken natuurlijk personen, zoals de bestuurders, ieder op zichzelf beschouwd onrechtmatig zijn.
In rechtspraak van de Hoge Raad is vreemd genoeg de vraag aan de orde gekomen in hoeverre het onrechtmatig handelen van de rechtspersoon vervolgens weer kan worden toegerekend aan de persoon die namens de rechtspersoon handelde. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke toerekening slechts mogelijk is indien de betrokken handeling “aan zijn schuld is te wijten, dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.”5 Eigenlijk is dit niet anders dan te zeggen dat de betrokken persoon pas naast de rechtspersoon aansprakelijk is, indien de betrokken persoon een eigen onrechtmatige daad heeft gepleegd, oftewel indien hem zelf een verwijt treft. Van toerekening van het onrechtmatig handelen van de rechtspersoon aan de bestuurder is dan in feite geen sprake. Deze gedachtelijn past ook beter bij het in het aansprakelijkheidsrecht geldende uitgangspunt dat eenieder alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden, behoudens welomschreven op de wet gebaseerde uitzonderingen (zie hierna par. 10.5.3).6