Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.5.5
2.4.5.5 De bestuurlijke boete wint steeds meer terrein
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270080:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Advies sanctiestelsels 2015, p. 8.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 4 en 5.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 5.
Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 41.
Remmelink 1959, pp. 243-288.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 12.
De behandeling van het wetsvoorstel Wet OM-afdoening mondde uit in de Kabinetsnota over de uitgangspunten bij de keuze van een sanctiestelsel: Kamerstukken II 2008/2009, 31 700, VI, nr. 69 (Nota keuze sanctiestelsel 2008). Sindsdien geldt het criterium van open en gesloten context.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 4/5.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 4/5.
Zie ook de aanvulling op de nota in 2010, Kamerstukken I 2009/2010, 32 123, VI, nr. I.
In de Nota keuze sanctiestelsel 2012 is geen nieuw criterium geïntroduceerd. Het is een aanvulling op de kabinetsnota’s uit 2005 en 2008 over de keuze tussen sanctiestelsels. Voorts is het een reactie op het rapport Referentiekader geldboetes (uitgevoerd in opdracht van het kabinet door de Rijksuniversiteit Groningen). In de Nota uit 2012 gaat het kabinet in op hoe het in zijn algemeenheid aankijkt tegen de diversiteit in wetgeving en beleidsterreinen die door middel van sancties worden gehandhaafd en de gevolgen die die diversiteit heeft voor het sanctie-instrumentarium en het sanctiebeleid. Ook geeft het kabinet aan hoe het voor de toekomst meer eenheid wil brengen in de bepaling van met name de maximumboetes in wetgeving, rekening houdend met de gerechtvaardigde verschillen tussen diverse wetgevingen en beleidsterreinen. Voorts besteedt het kabinet kort aandacht aan het met de bepaling van de boetehoogte samenhangende vraagstuk van de keuze tussen sanctiestelsels, onder andere aan het criterium van de zgn. open of besloten context. Het criterium van de open of besloten context is, Aldus het kabinet geen strak keurslijf maar een vertrekpunt. In de afweging die de wetgever moet maken bevat de nota vervolgens verschillende factoren die ertoe kunnen leiden dat toch wordt overgegaan op het andere (strafrechtelijke dan wel bestuursrechtelijke) spoor. Zulke factoren zijn onder andere de aard en ernst van het feit, bijzondere eisen aan de rechtseenheid en de organisatie van de handhaving op een bepaald terrein.
De toepassing van het duale systeem op grotere schaal zorgde er kortom voor dat in toenemende mate werd nagedacht over de verschillen tussen bestuursrecht en strafrecht en de consequenties daarvan voor degene die ermee te maken kreeg. Zo werden verschillen tussen bestuursrecht en strafrecht gesignaleerd, bijvoorbeeld op het terrein van rechtsbescherming en rechtsgevolgen voor justitiabelen die met een bestraffende overheid werden geconfronteerd. Bij de voorbereiding van de Awb werd over het verschil in rechtsbescherming bijvoorbeeld nagedacht door de wetgever. Het overnemen van strafrechtelijke waarborgen in de Awb achtte hij niet nodig, gezien de uiteenlopende context van het strafrecht en het bestuursrecht. De bepalingen in het strafwetboek zijn vooral gericht tot de rechter, terwijl de bepaling inzake de bestuurlijke boete zich tot het bestuur moeten richten. En:
“In de tweede plaats brengt het gegeven dat de bestuurlijke boete vooral bedoeld is voor relatief eenvoudige feiten (zowel wat betreft hun aard als de wijze waarop zij kunnen worden geconstateerd) mee dat een aantal bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht niet of onvoldoende toegeschreven is op de bestuurlijke boete en dat aan bepaalde leerstukken in het bestuursrecht geen behoefte bestaat.”1
Vanwege het feit dat het punitieve bestuursrecht echter steeds vaker werd ingezet voor zaken waarvoor het bestuursrecht oorspronkelijk niet bedoeld was, werden de geconstateerde verschillen een probleem. De minimumwaarborgen ten aanzien van rechtsbescherming in het bestuursrecht stamden namelijk uit de tijd dat voornamelijk relatief eenvoudige en lichte feiten bedreigd werden met een bestuurlijke boete, terwijl de context inmiddels was veranderd.2 Zware complexe overtredingen werden namelijk steeds meer bedreigd met hoge bestuurlijke boeten.3 De Afdeling Advisering van de Raad van State verwoordt een en ander als volgt:
“Uit het feit dat de wetgever in het bestuursrecht stapsgewijs is overgegaan tot handhaving van ernstiger en/of minder eenvoudig te constateren feiten door middel van punitieve bestuursrechtelijke sancties met bijbehorende hoge maximale boetes blijkt dat zij handhaving van ordeningswetgeving in het bestuursrecht is gaan beschouwen als een voorwaardig alternatief voor het strafrecht. Dit blijkt ook uit een intern onderzoek van de Afdeling naar de verschuiving van strafrechtelijke handhaving naar bestuursrechtelijke handhaving wat punitieve sancties betreft in de afgelopen vijf jaren.”4
Tegelijkertijd werd het strafrecht steeds minder als een bijzonder gedeelte van het recht gezien, maar veeleer opgevat als een overheidsactiviteit als alle andere.5 Deze benadering past in de door Remmelink geschetste stroming van de functionalisering. Deze stroming hield volgens hem de tendens in het strafrecht niet te zien als een volledig op zichzelf staande, geïsoleerde discipline met een eigen doel zonder dat bij de toepassing ervan met maatschappelijke factoren rekening behoeft te worden gehouden.6
Hoe was het nu mogelijk dat de bestuurlijke boete steeds vaker werd ingezet voor ernstige vergrijpen? Ter beantwoording van deze vraag dient eerst te worden stilgestaan bij de Nota Keuze Sanctiestelsel 2005. In de Nota Keuze Sanctiestelsel 2005 werd de aard en ernst van de normschending geïntroduceerd als centraal criterium bij de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Hieruit moest blijken dat alleen de meest ernstige feiten een strafrechtelijke reactie vergen, en op deze manier zou het onderscheid tussen het strafrecht en het bestuursrecht duidelijk moeten zijn, zodat ook de verschillende niveaus van rechtsbescherming verklaarbaar waren. Het strafrecht was, op grond van de criteria, bij uitstek geschikt als het ging om overtredingen van voorschriften met een grote normatieve lading. Voor punitieve handhaving via het bestuursrecht was geen plaats in zulke gevallen.
Echter bleek dat juist voor die normen waarbij het niet op voorhand duidelijk is of het strafrecht of het bestuursrecht aangewezen was, dit criterium niet de gewenste doorslag gaf. De aard en ernst van de normschending werd als sterk gevoelsmatig criterium gezien, bijvoorbeeld omdat de maatschappelijke opvattingen over de vraag of een bepaalde normschending tot een strafrechtelijke reactie noopt, in de loop der jaren soms kunnen wijzigen.7
De introductie van het criterium open en besloten context, door de inwerkingtreding van de Nota Keuze Sanctiestelsel in 2008, had de toepassing van de bestuurlijke boete op grote schaal mogelijk gemaakt.8 Hoe kon de toepassing van de bestuurlijke boete dan een vlucht nemen onder het nieuwe criterium uit 2008, van de open en besloten context? In geval van een open context bestond de voorkeur voor strafrechtelijke rechtshandhaving:
“Een open context bestaat in de situatie waarin burgers en bedrijven zijn gebonden aan algemene rechtsregels die – ongeacht de uitoefening van bepaalde activiteiten of de hoedanigheid van de burger of het bedrijf – voor iedereen en altijd gelden. Er is dan geen gespecialiseerd bestuursorgaan betrokken en er is geen sprake van reguliere communicatie tussen een burger/bedrijf en een overheidsdienst, hierdoor is de identiteit van de overtreder moeilijker te achterhalen: strafrechtelijke middelen zijn nodig.”
En in geval van een besloten context ging de voorkeur voor rechtshandhaving uit naar het bestuursrecht:
“Kenmerkend voor een besloten context is een gespecialiseerd bestuursorgaan dat met de uitvoering van zekere wetten is belast en uit dien hoofde te maken heeft met een afgebakende doelgroep.”9
Nu bij ordeningswetgeving snel sprake is van een bestuursorgaan dat met de uitvoering van de wet is belast, is van een besloten context snel sprake, en dus is toepassing van de bestuurlijke boete op grote schaal mogelijk geworden. Het criterium van open en besloten context gold overigens als vertrekpunt en liet ruimte voor een andere keuze dan die uit het onderscheid zou moeten volgen.10
Verschillende factoren (‘wissels’) konden ertoe leiden dat werd overgegaan op het andere (strafrechtelijke dan wel bestuursrechtelijke) spoor. ‘Aard en ernst van het feit’ fungeerdde nog wel als ondergrens bij de keuze voor de bestuurlijke boete.11 Deze (of andere) onderscheidende criteria voor strafrechtelijke of bestuursrechtelijke aanpak zijn nooit (nader) vastgelegd in een wet.12