Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.9.3:VII.B.9.3 De Duitse passiefzijde en onze 'nieuwe'schulden van de nalatenschap
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.9.3
VII.B.9.3 De Duitse passiefzijde en onze 'nieuwe'schulden van de nalatenschap
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402672:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook SCHUTTEVAER/ZWEMMER, De Nederlandse successiewetgeving, Deventer: Kluwer 1998, p.77.
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om een volledig beeld te krijgen van de Duitse samenloopproblematiek in het licht van de uitspraak van het Bundesfinanzhof, dient melding gemaakt te worden van de wijze waarop in § 10(5)3 van het Erbschaftsteuergesetz bij de bepaling van het 'Steuerpflichtiger Erwerb' naast onder meer de schulden van erflater, de legitieme portie, legaten, lasten en begrafeniskosten aan de passiefzijde rekening gehouden wordt met de kosten van boedelafwikkeling:
'die dem Erwerber unmittelbar im Zusammenhang mit der Abwicklung, Regel-ung oder Verteilung des Nachlasses oder mit der Erlangung des Erwerbs entste-hen. Fur diese kosten wird insgesamt ein Betrag von 10 300 Euro ohne Nach-weis abgezogen. Kosten fur die Verwaltung des Nachlasses sind nicht abzugsfahig.' (Curs. BS)
Het is wellicht dan toch niet voor niets dat in de Fiscale Encyclopedie Vakstudie Successiewet 1956 wordt opgemerkt:1
'Dergelijke kosten worden vanaf 1 januari 2003 krachtens art. 4:7, onderdeel b, c, en d, als schulden van de nalatenschap aangemerkt. De tekst van de Successiewet 1956 lijkt op dit punt niet voldoende te zijn aangepast aan het sedert 1 januari 2003 geldende erfrecht. Bij art. 5, aant. 3.1, is reeds opgemerkt dat het begrip schulden in art. 5, eerste lid, slechts betrekking heeft op de in rechte afdwingbare schulden van de erflater en niet op de schulden in de zin van art. 4:7, eerste lid, BW. Het begrip lasten in art. 20, eerste lid, omvat met name ook de in art. 4:7, eerste lid, onderdeel b, c, en d, BW, genoemde kosten.'
Blijkbaar is men er niet gerust op. In navolging van de bewerker van de Vakstudie merk ik dan ook op dat de tekst van art. 20 van de SW 1956 aangepast zou dienen te worden aan het per 1 januari 2003 geldende nieuwe begrip 'schulden van de nalatenschap' van art. 4:7 BW, op basis van welke regeling ook vereffeningskosten (letter c) en kosten van executele (letter d) als schulden van de nalatenschap aangemerkt zouden kunnen worden. Deze zouden mijns inziens ook in aftrek op de nalatenschap moeten kunnen komen, al dan niet met een maximum. Ook vanuit de filosofie dat bij executele de overeenkomstgedachte dient te prevaleren, is de aftrek van door een executeur veroorzaakte 'boedelkosten' mijns inziens zonder meer reeel. Bij de erfgenaam wordt dan successierechtelijk het netto-voordeel als erfrechtelijke verkrijging belast.
In het besluit van 3 augustus 2004 wordt in ieder geval uitdrukkelijk opgemerkt dat voor de regeling van het successierecht de executeurbeloning geen last is die van de nalatenschap kan worden afgetrokken.2 Bij Van Vijfeijken lees ik over de term lasten in de zin van art. 20 lid 1 SW 1956:3
'In dit lid wordt onder lasten verstaan kosten die worden opgeroepen door het overlijden van de erflater, zoals de kosten van lijkbezorging, kosten van beheer van de boedel, executeursbeloning, afwikkelingskosten en mogelijke proces- en invorderingskosten.' (Curs. BS)
Echter niet te vroeg juichen:
'Op grond van het bepaalde in dit lid zijn de lasten slechts zeer beperkt aftrekbaar voor de berekening van het verschuldigde successierecht. Alleen de kosten van lijkbezorging komen in mindering op de nalatenschap.'
Toch zou men mijns inziens de redenering4 die ten grondslag heeft gelegen aan de aftrek van de kosten van lijkbezorging ook ten grondslag kunnen leggen aan het toestaan van een beperkte aftrek van de executeurbeloning oftewel de Duitse methode:
'Aftrek daarvan is in overeenstemming met het beginsel der successiebelasting, een belasting op het zuiver saldo van elks verkrijging uit den boedel van een ingezetene des Rijks. Toch heeft de wet dien aftrek niet onbeperkt toegelaten, maar daaraan eischen gesteld, die bestemd zijn om ontduiking tegen te gaan [...]' (Curs. BS)
Aftrek is redelijk, doch in het kader van ontduiking 'mondjesmaat'.
Zowel voor het Duitse als voor het Nederlandse recht geldt dat voor zover een executeurbeloning 'om welke reden dan ook' als legaat zou worden aangemerkt, dit legaat, in het kader van de successierechtelijk communicerende vaten, sowieso voor het successierecht als passiefpost van de nalatenschap aftrekbaar is. Het legaat wordt immers in beginsel bij de legataris in de heffing betrokken.