Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.2.1
2.2.2.1 Grotere vrijheid in wijze van boekhouden
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180087:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
In België bestaat nog steeds de verplichting dat de tot de boekhouding behorende boeken naar tijdsorde worden bijgehouden, zonder enig wit vak of enige weglating en is bepaald dat in geval van correctie het oorspronkelijk geschrevene leesbaar moet blijven (artikel III.88 Wetboek van Economisch Recht).
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Bijna een eeuw nadat de tekst van artikel 6 WvK was vastgesteld in 1826 schreef de toenmalige minister van Justitie Heemskerk in 1921 dat reeds sinds geruime tijd de behoefte werd gevoeld om de wettelijke regeling met betrekking tot de inrichting van de koopmansboeken en de bewijskracht die aan de koopmansboeken toekomt iets te veranderen.1 Dat leidde tot het instellen van de Staatscommissie voor Burgerlijke Wetgeving. Deze commissie kwam met een voorstel tot aanpassing van het Wetboek van Koophandel, welk voorstel de minister “enigszins gewijzigd en aangevuld” heeft overgenomen.2
De belangrijkste reden voor de aanpassing van artikel 6 WvK was dat de gedetailleerd voorgeschreven wijze waarop de koopman zijn boekhouding moest voeren, niet meer paste in de moderne wijze waarop rond 1920 de boekhouding werd gevoerd. In de Memorie van Toelichting wordt hierover opgemerkt:3
“Voor het “dagboek” zoals de wet zich dat denkt, is in verschillende moderne systemen van boekhouding geen plaats. En door de streng gebiedende wijze, waarop de bestaande voorschriften de inrichting van het dagboek tot in bijzonderheden regelen, wringen zij de boekhouding in een keurslijf, waaruit de practijk zich reeds lang heeft losgemaakt weliswaar, edoch ten koste van de bewijskracht ten voordeele van de koopman, welke de wet alleen verleent aan “rigtig”, dus geheel overeenkomstig de wettelijke voorschriften behouden koopmansboeken.”
Met de wijziging van artikel 6 WvK werd beoogd meer vrijheid te verlenen aan zowel de koopman als aan de rechter. De koopman doordat hem vrijheid werd gegeven in de wijze waarop hij “behoorlijk aanteekening”4 wilde houden van zijn “vermogenstoestand en van alles wat zijn bedrijf betreft” en de rechter doordat het aan hem werd overgelaten welke bewijskracht hij toekende aan de aldus gehouden aantekeningen.5