Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.9
7.9 Gewone rechtsmiddelen I: beperkingen, termijnen en andere vereisten
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
1112 31 maart 2009, NJ 2010/338. Zie ook Van Dorst, Cassatie in strafzaken (2009), p. 24.
Een verleend verlof levert overigens geen garantie voor ontvankelijkheid op. Het gerechtshof kan na verlof alsnog tot een niet-ontvankelijkheid komen bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een volmacht om appel in te stellen. Zie HR 14 december 2010, LJN BN8388.
Het nieuwe stelsel van art. 404 lid 3 en 410a lid 2 Sv vervangt de oude verzetsregeling. De regering overwoog dat het verzet geheel kan worden afgeschaft als het hoger beroep onbeperkt wordt opengesteld voor die verdachten die niet op de hoogte waren van de zitting in eerste aanleg (Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 2). Verzet is thans gereserveerd als rechtsmiddel tegen de strafbeschikking.
Zie Wiewel, 'Een verdragsconforme toepassing van het verlofstelsel. Wet stroomlijen hoger beroep', NJB 2008/170, p. 213-216 en Jebbink, 'Verlofstelsel in strafzaken: schijnrechtspraak in strijd met het IVBPR', DD 2008/59, p. 849-864. Anders: Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 754-755.
In het wetsvoorstel Wet stroomlijnen hoger beroep zijn diverse voorbeelden genoemd van situaties waarin een nieuwe behandeling van de zaak niet in de rede ligt. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 24-25. Niet alle komen mij even overtuigend voor. Indien slechts wordt geklaagd over de partijdigheid van de rechter in eerste aanleg lijkt er mij, anders dan de toelichting, weinig reden om het verzoek af te wijzen. Voorts vraag ik mij, anders dan de regering, af of een blote ontkenning van de feiten zonder aanknopingspunten voor de aannemelijkheid van de mogelijke juistheid van die ontkenning op voorhand een reden is om het verlof te weigeren.
HRC 27 juli 2020, no. 1797/2008 (M. tegen Nederland) en EHRM 22 februari 2011, no. 26036/08 (Lalmahomed). Zie voorts De Roos, Internationaalrechtelijke beslissingen over het Nederlandse verlofstelsel in strafzaken', Strafblad 2011, p. 7-10.
HR 22 februari 1994, NJ 1994/306.
Zie de aangehaalde overwegingen van het Hof in HR 2 oktober 2007, NJ 2007/545.
BR 2 oktober 2007, NJ 2007/545, par. 3.3 en 3.4.
Tussenuitspraken zien onder meer op schorsing van het onderzoek, de afwijzing van een preliminair verweer, de toe- of afwijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Van deze tussenuitspraken kunnen worden onderscheiden incidentele uitspraken, zoals die inzake de gijzeling van een weigerachtige getuige en de beslissing op een wrakingsverzoek. Tegen die beslissingen staat geen rechtsmiddel open. Wel kan worden verzocht om opheffing van de gijzeling, tegen welke beslissing binnen drie dagen appel kan worden aangetekend en vervolgens cassatie kan worden ingesteld (art. 294 lid 4 Sv), en kan in de volgende instantie worden geklaagd over de partijdigheid van de (niet met succes gewraakte) rechter. Zie over deze kwesties Van Dorst, Cassatie in strafzaken (2009), p. 15-21.
IR 23 december 1986, NJ 1987/639.
Het appel ziet dan ook op zogenoemde nevenuitspraken, zoals de last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen, de opheffing van voorlopige hechtenis en de vordering van de benadeelde partij. Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken (2009), p. 21.
HR 27 maart 1990, NJ1990/655. Maatgevend is of de appelakte in dit verband een beperking inhoudt en niet welke grieven specifiek in de appelmemorie zijn aangevoerd. Zelfs is niet maatgevend of het OM in appelmemorie uitdrukkelijk het beroep beperkt. Zie HR 3 april 2007, LJN AZ5505.
Art. 78 lid 1 Wet RO spreekt weliswaar over 'handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven en de rechtbanken', maar handelingen van de strafrechter kunnen gelet op de toepasselijke bepalingen uit het Wetboek van strafvordering niet los van diens uitspraak worden bestreden. Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken (2009), p. 11-12.
Zie HR 30 juni 2009, LJN BH3079.
HR 11 december 2007, IJN BB3055.
Zie met betrekking tot de betekening van dagvaardingen in strafzaken het handzame stroomdiagram van Janssen en Verkerk in hun bijdrage 'Betekening van dagvaardingen in strafzaken', Trema 2006/1, p. 23-34.
Zie HR 23 september 2003, IJN AF9425. In dit arrest was de omstandigheid dat in de oproep ten onrechte de kinderrechter in plaats van de politierechter was vermeld onder doorhaling van de verdachte als minderjarige geen grond om het termijnverzuim bij het aanwenden van het rechtsmiddel te passeren, zoals het gerechthof heeft gedaan. 'Niet valt immers in te zien dat die omstandigheid de verdachte redelijkerwijs kan hebben beknot in de mogelijkheid zich bij de Rechtbank van het verloop van de zaak te vergewissen', zo overwoog de Hoge Raad. De Hoge Raad verklaarde vervolgens zelf alsnog het hoger beroep niet-ontvankelijk. Zie voorts HR 25 maart 2008, LJNBC4198 waarin werd geoordeeld dat uitreiking aan een bepaaldelijk gevolmachtigde is gelijk te stellen aan uitreiking in persoon. Zie tevens HR 27 november 2007, LJNBB6401 waarin werd geoordeeld dat slechts van belang was of de verdachte de dagvaarding in persoon was betekend en niet ook of art. 51 Sv (afschrift aan raadsman) was nageleefd. In HR 22 juni 2010, NJB 2010/1422 werd geoordeeld dat een betekening mede had moeten geschieden naar het door verdachte in de appelakte opgegeven adres en niet uitsluitend aan het GBA-adres alvorens het Hof voor verdachte nadelige gevolgen kon verbinden aan het niet verschijnen van de verdachte ter zitting. In HR 28 januari 2003, LJNAF1277 werd het ervoor gehouden dat twee personen abusievelijk elkaars oproeping hadden uitgereikt gekregen.
Zie HR 11 april 2006, LJN AV4010: waarin met betrekking tot het vergelijkbare art. 432 lid 1, onderdeel b, Sv werd geoordeeld dat daarvan ook sprake is als de verdachte zich ter zitting laat vertegenwoordigen door zijn advocaat als bedoeld in art. 279 lid 1 Sv.
Zie HR 6 januari 2004, LJN AN8554: 'De enkele omstandigheid dat de raadsman er op de wijze als door het Hof vastgesteld van blijk heeft gegeven op de hoogte te zijn van dag en uur van de terechtzitting in eerste aanleg brengt immers nog niet mee dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv.' Zie in gelijke zin HR 22 juni 2010, NJB 2010/1415. Zie echter ook HR 25 september 2007, LJN BA7670 waarin met betrekking tot het vergelijkbare art. 432 lid 1, onderdeel c, Sv werd geoordeeld dat nu uit de brief van de advocaat aan het gerechtshof bleek dat hij tevoren op de hoogte was van de zittingsdatum (hij had bericht dat hij noch zijn cliënt op die zitting die middag zouden verschijnen) zich wel een situatie voordeed als bedoeld in onderdeel c voornoemd. Het verschil zit hem blijkbaar in de omstandigheid dat uit de laatstgenoemde brief kan worden afgeleid dat ook de verdachte zelf op de hoogte was van de zittingsdatum.
Zie HR 8 september 2009, LJN B17028 waaruit volgt dat de bekendheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv ook kan volgen uit het kennisnemen van een krantenbericht waarin de veroordeling en straf is vermeld. Zie tevens HR 11 december 2007, LJN BB3055. Uit dit arrest blijkt dat een advocaat er niet verstandig aan doet om eerst een uitgebreide correspondentie te voeren met het OM nadat hij bekend is geworden met de uitspraak waartegen zijn cliënt wenst te appelleren. Zie ook HR 31 augustus 2004, LJN AP0167 waarin werd overwogen dat een verstekmededeling als bedoeld in art. 366 Sv niet moest worden aangemerkt als een mededeling in de zin van art. 6 lid 3, onderdeel a, EVRM, zodat een vertaling achterwege kon blijven. Zie ten slotte HR 23 april 2002, LJN Z1)2844 inzake het vergelijkbare art. 432 lid 2 Sv. De Hoge Raad overwoog dat nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de voorzitter voor het vertrek van de verdachte heeft medegedeeld wanneer het wrakingsverzoek zou worden behandeld en wanneer het onderzoek ter terechtzitting zou worden hervat en de verdachte noch bij de behandeling van het wrakingsverzoek noch toen het onderzoek in de strafzaak werd hervat, ter terechtzitting aanwezig was, art. 432 lid 1 en lid 3 Sv niet voor toepassing in aanmerking komt. Uit de stukken bleek vervolgens niet dat de verdachte voorafgaand aan de brief van het CJIB op de hoogte was van de uitspraak van het Hof, zodat het binnen 14 dagen nadien ingestelde cassatieberoep tijdig is.
HR 13 juni 2006, LJN AV5020.
HR 20 december 1994, NJ 1995/253 en 1 februari 2005, LJN AR6621. Indien na afloop van de cassatietermijn onjuiste ambtelijke informatie wordt verstrekt over de onherroepelijkheid van de uitspraak levert dit uiteraard geen verontschuldigbare termijnoverschrijding op (FR 21 november 2006, LJN AY9635).
Vergelijk HR 7 april 1998, NJ 1998/577 en HR 12 juni 2001, NJ 2001/696.
Onder meer HR 30 oktober 2001, LJN AD4366 en 9 mei 2006, LJN AV6216.
Met art. 451a Sv strookt volgens de Hoge Raad niet het systeem waarbij de gedetineerde eerst een briefje moet invullen waarin hij het doel van het door hem aangevraagde gesprek, namelijk het instellen van hoger beroep, moet vermelden om vervolgens in de gelegenheid te worden gesteld een schriftelijke verklaring als bedoeld in art. 451a Sv op te stellen en te ondertekenen (HR 24 oktober 1995, DD 96.073 en 7 september 2004, LJN AP2052).
Zie HR 26 februari 2001, NJ 2001/499 en 12 december 2006, NJ 2007/13.
HR 8 januari 2008, NbSr 2008/43.
Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 13.
Hof Den Bosch 20 mei 2008, LJN BD2458.
Kamerstukken 11 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 12.
Hof Arnhem 9 december 2008, LJN B G6375.
Die eis geldt uiteraard ook onverkort indien zowel de verdachte als de A-G bij het gerechtshof cassatieberoep instellen. Zie HR 8 mei 2001, LJN AB 1473.
A-G I5rg schreef in zijn eerste conclusie bij HR 2 maart 2004, LJN AN7638: 'Indien wordt geklaagd over verzuim van vormen en/of schending van het recht, maar deze klacht niet nader wordt gespecificeerd, levert de klacht geen middel van cassatie op. Vgl. HR 16 april 1996, NJ 1996, 527 en HR 14 november 2000, NJ 2001, 16. Het middel moet tot uitdrukking brengen waarom er sprake is van schending van het recht of verzuim van vormen en dient hiervoor redenen aan te dragen. Middel en toelichting worden in onderling verband beschouwd.' Hoewel in dit arrest het middel geen motivering inhield, werd het toch door de Hoge Raad besproken. Dit lijkt me terecht. In het middel werd erover geklaagd dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat art. 24 van het Benelux Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken mede ziet op conservatoire inbeslagneming. Het middel wierp aldus een rechtsvraag op waar de Hoge Raad zich over kon buigen zonder dat een nadere motivering nodig was. In HR 16 december 2003, LJN AN7 650 oordeelde de Hoge Raad daarentegen dat de schriftuur niet voldeed aan eisen gesteld aan een cassatiemiddel, nu daarin niet wordt geklaagd over een jegens de verdachte gemaakte inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM, doch slechts over de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk. Omdat in cassatie slechts kan worden geklaagd over schending van het recht of verzuim van vormen, worden bewijsverweren niet als middelen erkend. Zie HR 27 januari 2009, L/NBG3503 en 8 september 2009, LJN BI4062 en de conclusies daarbij.
Zie HR 16 juni 2009, IJNBI4693 voor een niet-ontvankelijk cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen. Blijkens de conclusie van P-G Fokkens gaat deze ontvankelijkheidsvraag vooraf aan de vraag of het cassatieberoep zelf al dan niet te laat is ingesteld. Dit lijkt me gelet op de tekst en strekking van art. 437 Sv juist.
A-G Machielse concludeerde in HR 19 juni 2001, LJN ZD27 51 dat het gerechtshof de benadeelde ten onrechte had ontvangen omdat de benadeelde in eerste aanleg ter zitting had verklaard dat hij zelf geen vordering indiende, doch de officier van justitie verzocht dit voor hem te doen, terwijl de politierechter ook had volstaan met een schadevergoedingsmaatregel zonder apart op het verzoek te beslissen. De Hoge Raad oordeelde anders, namelijk dat de benadeelde partij zich op regelmatige wijze had gevoegd in het strafproces in eerste aanleg, dat van een uitdrukkelijke intrekking van die vordering ter terechtzitting in eerste aanleg geen sprake is geweest, zodat de benadeelde partij zich — nu de politierechter de vordering niet had toegewezen — op de voet van art. 421 lid 3 in verbinding met art. 51b lid 2 Sv, binnen de grenzen van zijn eerste vordering ter terechtzitting in hoger beroep als zodanig kon voegen. In HR 11 januari 2000, LJN AA4262 oordeelde de Hoge Raad dat art. 421 lid 3 Sv met zich brengt dat de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente. Overigens kan het gerechtshof een benadeelde die te laat is 'ingestapt' tegemoetkomen door een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Zie Hof Amsterdam 9 maart 2010, LJN BL7200.
Gelet op deze eigen rechtsgang kan het OM niet enkel in hoger beroep komen omdat het meent dat in eerste aanleg ten onrechte de vordering van de benadeelde partij is afgewezen, aldus Hof Den Bosch 24 november 2004, LJN AR6975.
Corstens meent dat hier sprake is van een ernstige omissie in de rechtsbescherming. Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 788. Zie ook Van Dorst, Cassatie in strafzaken (2009), p. 110.
Op deze plaats zal ik de aanwending van gewone rechtsmiddelen bespreken, waaronder het verzet tegen de strafbeschikking. De bezwaarschrift- en klachtprocedure, die reeds aan bod zijn geweest, laat ik hier rusten. Het aanwenden van rechtsmiddelen tegen beslissingen ter zake van verlening en de schorsing van voorlopige hechtenis laat ik eveneens rusten.1 Wel zal ik hier kort stilstaan bij de betekening van dagvaardingen, omdat die van invloed is op de aanwending van rechtsmiddelen.
Van oudsher waren rechtsmiddelen, het maken van bezwaar en het klachtrecht daargelaten, pas aan de orde als er een vonnis voorlag van de eerstelijnsrechter. Verdachte en OM dienden zich dan te bezinnen op het eventueel instellen van hoger beroep. Met de Wet OM-afdoening is dit veranderd, althans voor wat betreft het verzet tegen de strafbeschikking. Art. 257e lid 1 Sv luidt voor zover hier van belang:
`Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer &n€340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. (...)'
Uit het tweede lid van art. 257e Sv volgt dat het verzet wordt gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet niettemin gedaan bij een ander parket, dan wordt het doorgeleid naar een officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter aanhangig kan maken. Het verzet kan ingevolge het derde lid van art. 257e Sv door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde op het parket worden gedaan. Er kan dan gelijk een oproeping voor een zitting op het verzet worden uitgereikt. Ook kunnen de verdachte of zijn advocaat (dus niet een andere gevolmachtigde) schriftelijk verzet doen door een brief aan de officier van justitie te sturen. Er is nog niet of nauwelijks gepubliceerde jurisprudentie voorhanden inzake de strafbeschikking. De ontvankelijkheidstoetsing in deze verzetszaken zal zich dus nog moeten uitkristalliseren. Er is echter geen goede reden om ter zake van die beoordeling van een andere maatstaf uit te gaan dan die bij de vraag of tijdig hoger beroep of cassatie is ingesteld, hetgeen verderop in deze paragraaf aan bod komt.
Eerst zal ik nu ingaan op een aantal beperkingen ter zake van het instellen van rechtsmiddelen. Art. 404, 410a en 427 Sv bevatten een aantal beperkingen ter zake van de mogelijkheid van hoger beroep en cassatieberoep. De verdachte kan niet opkomen tegen een vrijspraak. Evenmin kan de verdachte opkomen tegen een veroordeling wegens een overtreding waarbij geen straf is opgelegd of de totale boete niet meer dan € 50 bedraagt, tenzij bij verstek vonnis is gewezen terwijl de oproep niet aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend en hij evenmin anderszins tevoren op de hoogte was van de zittingsdatum. Wel staat ter zake van deze lage boetes rechtstreeks cassatieberoep open indien het gaat om een overtreding van een lokale verordening, zo volgt uit art. 404 lid 4 Sv. Onder het verlofstelsel vallen hoger beroepen tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een totale geldboete tot een (gezamenlijk) maximum van € 500. Tegen de beslissing geen verlof te verlenen staat evenals tegen het vonnis in eerste aanleg geen cassatieberoep open.2 Ingevolge art. 410a lid 1 Sv wordt het ingestelde hoger beroep dan slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.3 Daarvan is gelet op het tweede lid in elk geval sprake indien bij verstek vonnis is gewezen terwijl de oproep niet aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend en hij evenmin anderszins tevoren op de hoogte was van de zittingsdatum.4 De in art. 14 lid 5 IVBPR neergelegde eis van een vol hoger beroep kan op gespannen voet met dit verlofstelsel komen te staan.5 Art. 14 lid 5 IVBPR koppelt het recht op hoger beroep echter wel aan het nationale wettelijke systeem door de zinsnede 'overeenkomstig de wee.’6 Het Comité voor de Rechten van de Mens heeft medio 2010 geoordeeld dat het onthouden van verlof een schending van art. 14 lid 5 IVBPR opleverde, terwijl het EHRM voorts begin 2011 oordeelde dat het niet verlenen van verlof een schending opleverde van art. 6 lid 1 en lid 3 EVRM. In deze gevallen was de klager mede door het onthouden van verlof niet goed in staat geweest zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.7 Me dunkt dat het verlofstelsel daarmee in feite van de baan is: verlof zal (vrijwel) steeds moeten worden verleend. Als het niet verlenen van verlof naar huidige inzichten een schending van art. 14 lid 5 IVBPR (en in voorkomende gevallen van art. 6 EVRM) oplevert, geldt dit mijns inziens temeer voor het categorisch uitsluiten van appel ingeval van een veroordeling wegens een overtreding waarbij de totale boete niet meer dan € 50 bedraagt (art. 404 lid 2, onderdeel b, Sv). In cassatie geldt ook een ondergrens voor overtredingen, namelijk dat de geldboete ten minste in totaal € 250 moet bedragen, maar weer niet als het gaat om een overtreding van een verordening van een lagere overheid (art. 427 Sv).
Daarnaast wordt in de jurisprudentie de eis gesteld dat de verdachte een belang heeft bij het instellen van rechtsmiddelen. Ik noem hier twee voorbeelden. Zolang een strafrechtelijke uitspraak niet onherroepelijk is kan geen nieuwe dagvaarding worden uitgebracht. Indien de rechtbank of het Hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart, welke niet-ontvankelijkheid van tijdelijke aard is kan de verdachte een nieuwe dagvaarding frustreren door tegen die tijdelijke niet-ontvankelijkverklaring rechtsmiddelen in te stellen. In een geval waarin voor de tweede keer cassatie werd ingesteld uitsluitend om een nieuwe zaak te frustreren, oordeelde de Hoge Raad dat het cassatieverzoek niet-ontvankelijk was bij gebrek aan enig in rechte te respecteren belang van de verdachte.8 In de Schiedammer parkmoordzaak heeft de Hoge Raad het herzieningsverzoek van de gewezen verdachte gehonoreerd toen bleek dat een ander de schuldige was. Na verwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam heeft dat hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard nadat de 'echte' dader onherroepelijk was veroordeeld.9 Het cassatieberoep van de gewezen verdachte tegen dit arrest was niet-ontvankelijk want:
`De gronden waarop het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn strafvervolging brengen mee dat een hernieuwde vervolging van de verzoeker ter zake van het hem tenlastegelegde uitgesloten is (vgl. HR 18 februari 1997, LIN ZD0652, NJ 1997, 411). Noch uit het middel, noch uit de overige stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt blijkt dat de verzoeker een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen het bestreden arrest.'10
Tegen vonnissen en arresten die geen einduitspraak zijn, is het hoger beroep of het cassatieberoep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten (art. 406 lid 1 en 428 Sv).11 Dit is voor het hoger beroep slechts anders indien de tussenuitspraak betrekking heeft op gevangenhouding of gevangenneming (art. 406 lid 2 Sv). Omdat in art. 138 Sv de uitspraak inzake de ontneming van wederrechtelijke verkregen voordeel niet is gedefinieerd als einduitspraak is in afzonderlijke bepalingen voorzien in hoger beroep en cassatieberoep ter zake van voordeelontneming (art. 511g en 511h Sv). Dat het rechtsmiddel zich mede richt tegen de tussenuitspraak zal uit de akte van hoger beroep of van beroep in cassatie uitdrukkelijk moeten blijken, anders gaat de tussenuitspraak in kracht van gewijsde. Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt wanneer de tussenuitspraak doorwerkt in de einduitspraak. Denk hier aan een tussenbeslissing over de afwijzing een getuige op te roepen.12 Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld,13 tenzij in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen, want dan kan het hoger beroep zich ook richten tot slechts één of meer gevoegde zaken (art. 407 Sv). De verdachte kan dus niet slechts opkomen tegen de veroordeling met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit. Het appel zal zich op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten richten tegen de hele uitspraak, dus ook op de primaire vrijspraak.14 Dit laat onverlet dat met de Wet stroomlijnen hoger beroep door de wetgever is gekozen voor een zogenoemd voortbouwend appel. Het vonnis in eerste aanleg is startpunt van het geding in hoger beroep waarin de appelrechter een eigen verantwoordelijkheid heeft. De appelrechter zal zich daarbij richten op de grieven en op hetgeen waarover hij ambtshalve struikelt (art. 415 lid 2 Sv). Voor cassatie geldt dat het uitsluitend openstaat tegen uitspraken van de strafrechter (art. 78 lid 1 Wet RO15) en dus niet tegen handelingen van de politie of het OM.16 Dat laat natuurlijk onverlet dat gedragingen van de opsporende en vervolgende instanties voorwerp kunnen zijn van de aangevochten uitspraak. Anders dan het hoger beroep kan het cassatieberoep zich wel richten tot een gedeelte van het vonnis of het arrest (art. 429 Sv).
Bij de bespreking van de termijnen van het instellen van rechtsmiddelen moet voorop worden gesteld dat de in de wet bepaalde termijnen voor het indienen van een rechtsmiddel van openbare orde zijn.17 Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat verdachte of het openbaar ministerie niet in appel of cassatie kan worden ontvangen. Hierna zal blijken dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel gaat lopen vanaf de einduitspraak indien de verdachte ter zitting aanwezig was of bekend was met de zittingsdatum. De art. 585-590 Sv handelen over de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededeling en aan natuurlijke personen. Ingevolge art. 585 Sv geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als in Sv en Sr voorzien, door: (a) betekening; (b) toezending; en (c) mondelinge mededeling. Daarbij geldt dat betekening geschiedt door uitreiking van een gerechtelijk schrijven op de bij de wet voorziene wijze, dat toezending geschiedt door middel van een gewone of aangetekende brief over de post dan wel op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze en dat een mondelinge mededeling zo spoedig mogelijk in een proces-verbaal of anderszins schriftelijk wordt vastgelegd.18 Enkel indien de verdachte niet is verschenen dient de rechter ambtshalve de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding te onderzoeken (art. 278 lid 1 Sv).
Ingevolge art. 408 lid 1 Sv dient het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien: (a) de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;19 (b) de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen:20 (c) zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;21 of (d) de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van art. 257e Sv verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van art. 588a Sv en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden. In het tweede lid van art. 408 Sv is bepaald dat in andere gevallen het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.22 Het derde lid sluit aan op het tweede lid indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, tenzij de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Voor cassatie geldt evenzeer een termijn van 14 dagen waarvan het aanvangstijdstip gelijk is gelegd als in art. 408 Sr, zo volgt uit art. 432 Sv, met dien verstande dat in lid 1, onderdeel d hierboven, voor verzet en eerste aanleg steeds hoger beroep moet worden gelezen. In cassatie kan de verdachte overigens incidenteel cassatieberoep instellen binnen 14 dagen nadat aan hem de aanzegging van het beroep door het openbaar ministerie in persoon is betekend of zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep hem bekend is (art. 433 lid 2 Sv). De regel dat binnen 14 dagen na de zitting uitspraak wordt gedaan (art. 345 Sv) geldt niet voor ontnemingszaken (art. 511e Sv). Het tweede lid van art. 511e Sv bepaalt onder meer dat indien de dag van de uitspraak op de terechtzitting wordt bepaald maar de betrokkene dan niet aanwezig is, de kennisgeving van die dag aan hem wordt betekend. Dit voorschrift strekt ertoe te voorkomen dat de betrokkene onkundig zou kunnen blijven van de dag waarop de voor hem voor het aanwenden van een rechtsmiddel openstaande termijn ingaat, waardoor hij in zijn belang wordt geschaad, indien hij buiten zijn schuld eerst na verloop van die termijn het voor hem openstaande rechtsmiddel aanwendt.23 Gelet op het belang dat art. 511e lid 2 Sv beoogt te beschermen, brengt volgens de Hoge Raad redelijke wetstoepassing mee dat, ingeval betekening van zodanige kennisgeving is vereist art. 408 lid 1 Sv geen toepassing vindt. Slechts indien de genoemde kennisgeving in persoon aan de betrokkene is betekend of deze op andere wijze tevoren bekend is met de datum van de uitspraak moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak. In andere gevallen moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de betrokkene bekend is.24
Een overschrijding van de termijn waarbinnen een rechtsmiddel dient te worden ingesteld, kan volgens de Hoge Raad onder bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden verontschuldigbaar zijn. Dat kan het geval zijn indien de verdachte is afgegaan op hem binnen de wettelijke beroepstermijn op zijn verzoek verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij hem de gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat voor hem een beroepstermijn van 14 dagen gold welke eerst zou aanvangen nadat hij een schriftelijke mededeling met betrekking tot het gewezen vonnis had ontvangen.25 Voorts kan de verontschuldigbaarheid liggen in de persoon van de verdachte (psychische gesteldheid).26 Inzake de ambtshalve beoordeling van de tijdigheid van rechtsmiddelen en verschoonbare termijnoverschrijding is de vergelijking met het bestuursprocesrecht aldus snel gemaakt. Indien door de verdachte het verkeerde rechtsmiddel wordt aangewend heeft zoveel mogelijk conversie plaats. Er wordt dan vanuit gegaan dat de verdachte het juiste rechtsmiddel heeft willen instellen. Het gerecht waarbij het rechtsmiddel is ingediend zal de stukken dan naar de juiste instantie verzenden.27 In het bestuursrecht komen we vorenstaande twee leerstukken tegen in de art. 6:11 en 6:15 Awb.
Naast de tijdigheid van het rechtsmiddel geldt nog een aantal andere meer inhoudelijke ontvankelijkheidsvereisten. Bij het verzet tegen de strafbeschikking worden opgegeven de naam van de verdachte, alsmede een nauwkeurige aanduiding of kopie van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt. De verdachte kan een adres in Nederland opgeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Bij het verzet kunnen schriftelijk bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven (art. 257e lid 4 Sv). Een correspondentieadres mag, maar hoeft dus niet. Uit de strafbeschikking blijkt immers reeds dat het OM bekend is met de woon- of verblijfplaats van de verdachte. Ook het indienen van bezwaargronden is — anders dan in het bestuursrecht (art. 6:5, onderdeel d, Awb) — facultatief. Dat laatste hangt samen met de omstandigheid dat een tijdig verzet met zich brengt dat de strafbeschikking wordt vernietigd en de rechter zich ten volle buigt over de zaak alsof die was ingeleid met een dagvaarding (zie art. 257f lid 3 en lid 4 Sv).
In art. 349 lid 1 Sv is bepaald dat voor zover de wet niet anders bepaalt, hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld door een verklaring die wordt gedaan door degene die het rechtsmiddel aanwendt op de griffie van het gerecht dat de aangevochten beslissing heeft genomen. Indien de verdachte is aangehouden kan hij het rechtsmiddel ook instellen bij een aangetekende brief aan dezelfde griffie (lid 2). Voorts kan het rechtsmiddel worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat of een vertegenwoordiger die bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd (art. 450 lid 1 Sv). Een dergelijke volmacht kan zelfs worden verleend aan een griffiemedewerker indien de verdachte instemt met het aanstonds in ontvangst nemen van de uitreiking van de oproeping voor de zitting (lid 3). De griffier maakt een akte op van iedere verklaring of inlevering als hiervoor bedoeld, welke akte bij de processtukken wordt gevoegd (art. 451 Sv). Een gedetineerde kan rechtsmiddelen instellen door een schriftelijke verklaring af te geven aan de directeur van het gesticht, welke verklaring de directeur inschrijft in een register en vervolgens toezendt aan de griffie, waarbij de dag van inschrijving in het register als de dag geldt waarop het rechtsmiddel is aangewend (art. 451a Sv).28
Bij het instellen van rechtsmiddelen dient de insteller ervan — de verdachte — zijn identiteit bekend te maken, zo volgt volgens de Hoge Raad uit de art. 449-452 Sv, welke identiteit uiteraard de ware identiteit van de verdachte moet zijn.29 In een zaak waarin de verdachte in eerste aanleg bekend stond onder zowel zijn eigen naam als een alias, kon het gerechtshof niet tot een niet-ontvankelijkheid komen enkel omdat de verdachte in appel zijn alias had gebruikt. Omtrent de identiteit van de verdachte was immers geen enkele twijfel mogelijk.30
Ingevolge art. 410 lid 1 Sv dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. Ingeval door de verdachte geen schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij, zo bepaalt art. 410 lid 4 Sv, binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank dat valt binnen het verlofstelsel een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep. Deze verplichting geldt niet indien de verdachte niet behoorlijk was opgeroepen en ook niet anderszins op de hoogte was van de zittingsdatum in eerste aanleg. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard, zo volgt uit art. 414 lid 2 Sv. In de wetsgeschiedenis is hieromtrent overwogen:
`Van de verdachte die hoger beroep instelt kan wel in redelijkheid gevergd worden te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren. De appèlrechter dient vervolgens de bevoegdheid te hebben bij het niet vervullen van wat kort gezegd "weerwoord" genoemd kan worden om het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren. Maar hij dient daartoe niet te worden verplicht. Herstel van ambtshalve geconstateerde fouten blijft dan mogelijk. Ook bestaat de kans dat de appèlrechter tot behandeling overgaat en dan tot een ander oordeel komt in de strafmaat. Van een vrijblijvend appèl is dan ook geen sprake.'31
Blijkbaar op deze gedachten hinkend kwam het Hof Den Bosch tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep vanwege het door de verdachte nalaten opgave te doen van zijn bezwaren tegen het vonnis eerst nadat het ambtshalve had vastgesteld dat de uitspraak in eerste aanleg enkele misslagen bevatte die verbeterd gelezen konden worden.32 Uit art. 414 lid 3 Sv volgt dat indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 lid 1 Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De regering meende dat een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid van het OM buiten bagatelzaken geen voorkeur verdiende, 'omdat hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appelmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appel, ook maatschappelijk bezien, van groter belang kan zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming' .33 In een zaak waarin het schriftuur van het OM ten onrechte was geadresseerd aan het resortsparket in plaats van de rechtbankgriffie, terwijl de advocaat-generaal inhoudelijk de rechtbankuitspraak onderschreef, meende het gerechtshof dat verdachte onnodig in zijn verdediging was geschaad niet alleen omdat hij niet tijdig over het schriftuur houdende grieven beschikte, maar vooral omdat hij onnodig lang in onzekerheid verkeerde door het verschil van inzicht tussen de officier en de advocaat-generaal (die blijkbaar geen overleg hadden gevoerd). Ten overvloede oordeelde het gerechtshof nog dat nu de advocaat-generaal in hoger beroep conform het vonnis van de rechtbank heeft geëist, het OM op zichzelf al geen belang meer heeft bij het hoger beroep en derhalve ook langs deze weg niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in het hoger beroep.34
Art. 437 Sv voorziet in een ontvankelijkheidsvereiste met betrekking tot het indienen van cassatiemiddelen. Uit het eerste lid volgt dat het OM, indien het cassatie heeft ingesteld, binnen een maand nadat door de griffier van de Hoge Raad een aanzegging daartoe is verzonden schriftelijk cassatiemiddelen bij de Hoge Raad indient.35 Uit het tweede lid volgt dat de verdachte die cassatieberoep heeft ingesteld binnen twee maanden nadat hem de aanzegging is betekend ervoor zal moeten zorgen dat zijn raadsman schriftelijk cassatiemiddelen indient. Het gaat in het tweede lid dus om drie zaken: vertegenwoordiging door een advocaat, die cassatiemiddelen36 indient, en dat op tijd doet, te weten binnen twee maanden na betekening van de aanzegging.37 Uit het derde lid volgt dat de benadeelde partij enkel bevoegd is binnen een maand nadat aan hem een kennisgeving is verzonden een schriftuur bij de Hoge Raad in te dienen.
Ten slotte nog iets over de benadeelde partij, waarover art. 421 Sv handelt. De benadeelde partij kan zich niet eerst in hoger beroep voegen (lid 1) en kan evenmin zijn vordering in hoger beroep uitbreiden (lid 3).38 Indien zijn vordering in eerste aanleg is toegewezen dan fietst zijn vordering van rechtswege mee in een hoger beroep (lid 2). Indien de verdachte en het OM geen hoger beroep instellen kan de benadeelde partij wel zelf in hoger beroep komen tegen de afwijzing van zijn vordering in eerste aanleg. Op dit hoger beroep en een eventueel cassatieberoep zijn dan de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, met dien verstande dat geen griffierecht wordt geheven (lid 4).39 Indien tegen de ouders of voogd van de minderjarige verdachte die nog geen 14 jaren is een vordering van de benadeelde partij is toegewezen, kunnen de ouders of voogd indien zij daartegen in eerste aanleg verweer hebben gevoerd eveneens zelfstandig hoger beroep instellen bij het gerechtshof indien geen hoger beroep is ingesteld door verdachte of OM (lid 5). In de strafzaak zelf kan de benadeelde partij geen cassatieberoep instellen indien het gerechtshof negatief heeft beslist over zijn vordering, terwijl noch de verdachte noch het OM cassatieberoep instellen.40 Ditzelfde geldt voor de ouders of voogd bij een toewijzing van de vordering.