De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.9.1:5.9.1 Inleiding
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.9.1
5.9.1 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS383675:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het eerste deel van dit hoofdstuk concludeerde ik dat de medezeggenschap en zeggenschap in internationale concerns niet goed op elkaar aansluiten. Dit wordt enigszins gecompenseerd door Europese regelgeving, vooral op het gebied van informatie- en consultatie. Bij concerns met een Europese dimensie wordt op het hoogste niveau – het niveau waar de zeggenschap plaatsvindt – een eor ingesteld. Deze heeft bevoegdheden ten aanzien van transnationale kwesties, die juist buiten het bereik van de Nederlandse medezeggenschap worden gehouden. Het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ komt dus veel meer tot zijn recht indien een eor is ingesteld. De Richtlijn-EOR heeft echter alleen betrekking op informatie en raadpleging en de bevoegdheden zijn niet zo sterk als die van de Nederlandse or. Het gebrek aan vennootschapsrechtelijke medezeggenschap in internationale concernverhoudingen wordt alleen gecompenseerd indien gebruik wordt gemaakt van een grensoverschrijdende herstructurering, zoals een SE, SCE of grensoverschrijdende fusie. Indien bijvoorbeeld een SE wordt opgericht, vindt in voorkomende gevallen de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap wel plaats op het hoogste niveau en volgt de medezeggenschap de zeggenschap. De Europese regelgeving inzake herstructureringen biedt aan de andere kant ook veel mogelijkheden om de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap te omzeilen.
Niet alle vormen van grensoverschrijdende mobiliteit zijn in het Europese recht geharmoniseerd. Zo is er nog geen regeling op het gebied van grensoverschrijdende omzetting en grensoverschrijdende zetelverplaatsing. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt echter dat dergelijke vormen van grensoverschrijdende mobiliteit wel mogelijk zijn met een rechtstreeks beroep op de vrijheid van vestiging van art. 49 VWEU. In deze paragraaf wil ik kort ingaan op de vraag wat de gevolgen van een dergelijke grensover schrijdende herstructurering zijn voor de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap. Mag een lidstaat bijvoorbeeld maatregelen nemen om de medezeggenschap te beschermen? Of is dat in strijd met de vrijheid van vestiging? Ik sluit af met enkele slotwoorden over de toekomst van Europese (vennootschapsrechtelijke) medezeggenschap.