Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.3.1
6.6.3.1 Gerechten van lidstaten; art. 15 lid 1 Vo-BIIbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439121:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof 's-Gravenhage 22 februari 2006, N/PR 2006, 103, besproken in par. 6.6.12, waarin het door de vrouw ingestelde verzoek tot verwijzing van de zaak vanuit Frankrijk naar Nederland niet in het belang van het kind werd geacht, omdat `[D]e behandeling in hoger beroep in kort geding door de Cour d'Appel te Limoges (...) een ordemaatregel [betreft] en niet een geschil tussen partijen ten gronde.'
Dit kan m.i. worden afgeleid uit art. 15 lid 4, r alinea en 15 lid 5, 3' zin Vo-Bilbis. Zie ook D. Solomon, FamRZ 2004, p. 1414; Geimer/Schlitze (Dilger), VO (EG) 2201/2003 (EheVO), Art. 15, Anm. 3; B. Ancel & H. Muir Watt, Rev. crit. DIP 2005, p. 595.
Op basis van de Vo-Brussel Ilbis kunnen uitsluitend gerechten van lidstaten waarvoor de verordening geldt zich forum non conveniens verklaren. Een Deens gerecht kan art. 15 niet toepassen, omdat de verordening niet voor Denemarken geldt (art. 2 lid 3). Voorts kunnen alleen gerechten van lidstaten die in de zaak ten gronde bevoegd zijn art. 15 inschakelen. Verder doet het er niet toe of de ouderlijke verantwoordelijkheid zich voor het bevoegde gerecht afspeelt in het kader van een echtscheidingsprocedure of van een zelfstandige procedure. Aangetekend zij dat een forum non conveniens-verwijzing niet erg voor de hand ligt in het kader van voorlopige voorzieningen tijdens echtscheiding of in het kader van een kort geding procedure waarin de rechter gevraagd wordt om voorlopige en/of bewarende maatregelen te nemen.1 Het voorlopige resp. spoedeisende karakter van de procedure verzet zich hiertegen. Het gerecht van een lidstaat dat rechtsmacht mist, zal zich in de hoofdzaak onbevoegd moeten verklaren. Een onbevoegd gerecht komt uiteraard niet toe aan een forum non conveniens-verwij zing.
Het lijkt erop dat de Vo-Brussel Ilbis een forum non conveniens-verwijzing alleen toestaat door de gerechten van lidstaten waarin een procedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid reeds aanhangig is. Volgens art. 15 lid 1 sub a moet het gerecht van een lidstaat 'de behandeling van de zaak (...) aanhouden (...)'. Zie voorts art. 15 lid 5: `(...) Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, ziet in dit geval af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid'. Kennelijk is het niet mogelijk dat het gerecht van een lidstaat waarmee de zaak nauw is verbonden, maar die niet bevoegd is op grond van art. 8-14 Vo-BI:Ibis, een verzoek tot forum non conveniens instelt bij het gerecht van een andere lidstaat die op grond van art. 8-14 rechtsmacht toekomt, terwijl dit laatste gerecht nog niet is geadieerd. Met een beroep op het belang van het kind kan men zich afvragen of deze mogelijkheid toch niet geïntroduceerd zou moeten worden. Art. 9 HKbV 1996 en art. 8 HMbV 2000 bieden deze mogelijkheid wel.
De rechtsmacht van de verwijzende rechter moet zijn gebaseerd op een van de bevoegdheidsgronden uit de verordening zelf (art. 8-13) of op het commune recht van de aangezochte rechter (art. 14). Ook de rechter van een lidstaat die volgens zijn interne recht bevoegd is ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid kan zich met een beroep op art. 15 forum non conveniens verklaren.2 Hiervoor is dus niet vereist dat de lex fori een forum non conveniens-regel bevat. Op dit punt verschilt de Vo-Brussel IIbis met het HKbV 1996 en het HMbV 2000, omdat een forum non conveniens-verwijzing volgens de beide verdragen slechts mogelijk is door de rechter die op basis van art. 5 of 6 HKbV 1996 (gewone of werkelijke verblijfplaats van het kind) resp. art. 5 of 6 HMbV 2000 (gewone of werkelijke verblijfplaats van de meerderjarige) in de zaak ten gronde bevoegd is (art. 8 lid 1 HKbV 1996; art. 8 lid 1 HMbV 2000).