Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.1.2
2.4.5.1.2 Inwendige neutraliteit
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496529:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Niet te verwarren met de hiervoor besproken interne neutraliteit (als uitwerking van de uitwendige neutraliteit).
Van Hilten 2010, p. 16.
Vgl. HvJ 20 oktober 1993, nr. C-10/92, V-N 1994/593 (Balocchi), r.o. 25.
Van Hilten & Van Kesteren 2012, p. 13.
Van Hilten 2010, p. 16-17.
IBFD-bundel 1963, p. 25 en 54.
Zie ook Van Doesum 2009, die het verbod op cumulatie van belasting schaart onder de economische dimensie van het neutraliteitsbeginsel (zie ook hiervoor). Vgl. Merkx 2011, p. 33.
Bomer 2013, p. 10-12.
Daar waar Van Doesum deze nog onder de stelselneutraliteit schaart (als invulling van de juridische dimensie) (paragraaf 2.4.5.1.1).
Uit rechtspraak van het HvJ volgt dat van de uitwendige c.q. stelstelneutraliteit de zogenaamde inwendige neutraliteit kan worden onderscheiden.1 Anders dan de uitwendige neutraliteit wordt de inwendige neutraliteit beoordeeld vanuit het perspectief van de ondernemer, dat wil zeggen: in situaties waarin de ondernemer zelf ondervindt of dreigt te ondervinden van de btw.2 Het gaat daarbij dus niet om een beoordeling van de concurrentieverhoudingen tussen ondernemers en goederen en/of diensten. Vanuit de inwendige neutraliteit bezien, betekent het nastreven van het doel van de btw (het belasten van consumptie door (en van) de consument op een neutrale manier) dat de btw voor de ondernemer, als onbezoldigd rijkskassier,3 een zo min mogelijk last mee moet brengen. Dit houdt in dat de btw eenvoudig moet kunnen worden afgewenteld op het subject dat de btw beoogt te belasten: de consument. Hierbij geniet het de voorkeur dat daarbij geen voorfinancieringsnadeel optreedt. Daarnaast zouden administratieve voorwaarden en voorschriften zoveel mogelijk moeten worden teruggedrongen.4 Een ander voorbeeld van een mogelijke verstoring van de inwendige neutraliteit betreft het geval waarin cumulatie dreigt te ontstaan, omdat de btw niet aftrekbaar lijkt te zijn. Volgens Van Hilten zijn dit situaties waarvoor de Uniewetgever niet de term ‘neutraliteit’ hanteert.5 Hoewel de Uniewetgever er inderdaad niet met zoveel woorden over spreekt, heeft hij zich hiervan wel vergewist. In het ABC-rapport kwam namelijk al tot uitdrukking dat het voor de mededingingsneutraliteit van belang is dat de belasting geen obstakel mag vormen voor het bedrijfsleven, hetgeen (onder meer) betekent dat een ondernemer door middel van een aftrekmechanisme moet worden ontlast van de belastingdruk die is ontstaan in een eerdere schakel.6 Daaruit kan worden opgemaakt dat de inwendige neutraliteit niet los van de mededingingsneutraliteit kan worden gezien en logischerwijs uit de stelselneutraliteit voortvloeit.7 Deze kan immers onvoldoende worden gewaarborgd als een ondernemer in de bedrijfskolom hinder van de btw ondervindt, bijvoorbeeld doordat hij de aan hem in rekening gebrachte btw niet kan aftrekken. Bomer gaat een stap verder.8 Volgens hem is het juist de stelselneutraliteit die beoogt economische activiteiten van voorbelasting te bevrijden: het is gericht op het belasten van het verbruik van goederen en diensten en het bevrijden van economische activiteiten van voorbelasting. Een ondernemer die in de productiefase btw betaalt moet hiervan dus zoveel mogelijk worden ontlast. Van de stelselneutraliteit onderscheidt Bomer de neutraliteit als uitdrukking van het gelijkheidsbeginsel.9 Hieronder moet – kort gezegd – worden verstaan het beginsel dat soortgelijke goederen en diensten die met elkaar concurreren niet ongelijk mogen worden behandeld vanuit een btw-perspectief. Daarnaast vereist deze verschijningsvorm van het neutraliteitsbeginsel dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten voor de btw-heffing niet verschillend mogen worden behandeld.