Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.6.1:3.4.6.1 EVRM en EHRM
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.6.1
3.4.6.1 EVRM en EHRM
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS464474:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 29 mei 1997, appl.no. 21522/93, r.o. 42 (Georgiadis).
EHRM 1 juli 2003, appl.no. 37801/97, r.o. 36 (Suominen).
EHRM 1 juli 2003, appl.no. 37801/97, r.o. 37 (Suominen).
EHRM 19 april 1994, Series A. no. 288, r.o. 61 (Van de Hurk).
EHRM 15 februari 2007, appl.no. 19997/02 (Boldea).
EHRM 22 februari 2007, appl.no. 1509/02, r.o. 58 (Tatishvili).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het EHRM heeft in verschillende uitspraken overwogen dat artikel 6 EVRM eveneens ziet op de motivering van beslissingen van de rechterlijke macht. Daarbij wordt aangegeven dat deze motiveringsplicht “may vary according to the nature of the decision [and] can only be determined in the light of the circumstances of the case”.1 Hieruit kan worden afgeleid dat voor beslissingen met een punitief karakter over het algemeen een zwaardere motiveringsverplichting geldt dan voor beslissingen die niet-punitief van aard zijn. Ook past deze graduele benadering bij de latere Jussila-uitspraak van het EHRM ten aanzien van de toepassing van rechtswaarborgen bij fiscale bestuurlijke boeten (zie onderdeel 3.4.2). Met andere woorden, voor bepaalde (lichte) verzuimboeten is de verplichting tot motivering vermoedelijk minder zwaar dan bij de (zware) vergrijpboeten.
Volgens het EHRM ziet de motiveringsverplichting op het garanderen van een behoorlijke rechtspleging. De motivering legitimeert de beslissing en stelt partijen en het publiek in staat om de beslissing te toetsen: “an authority is obliged to justify its activities by giving reasons for its decisions”.2 Het is daarbij van belang dat uit de motivering blijkt dat de standpunten van partijen, zoals strafmaatverweren, zijn gehoord.3 Niet elk argument hoeft echter gedetailleerd te worden beantwoord;4 uit de beslissing moet blijken dat de essentiële aspecten van de zaak zijn belicht.5
Daarnaast is een gemotiveerde beslissing een belangrijke voorwaarde voor het eventuele vervolgtraject:
“Moreover, a reasoned decision affords a party the possibility to appeal against it, as well as the possibility of having the decision reviewed by an appellate body.”6
De motivering van de beslissing, de laatste fase van het besluitvormingstraject, vormt dus niet alleen een afsluiting van het voorafgaande proces maar is tegelijkertijd een opmaat voor een eventuele juridische vervolgprocedure. Dat betekent dat de motiveringsplicht van artikel 6 EVRM zich vermoedelijk niet beperkt tot de gerechtelijke procedure, maar dat het in zekere mate ook van invloed zal kunnen zijn op het bestuurlijke voortraject. De motivering van de primaire boetebeschikking – of de uitspraak op bezwaar tegen de bestuurlijke boete – is immers mede richtinggevend voor de omvang van de verdere rechtsstrijd en kan dus niet geheel los gezien worden van de gerechtelijke vervolgprocedure.